Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU8043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2005
Datum publicatie
15-12-2005
Zaaknummer
03/5334 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medische informatie ziet deels op de situatie ná de hier van belang zijnde datum. Arbeidsbeperkingen zijn niet onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5334 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Breda op 17 september 2003 onder kenmerk

02/2442 WAO tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en schriftelijk gereageerd op de door appellant in het geding gebrachte medische bescheiden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 november 2005, waar namens appellant is verschenen

mr. R.A. Oliemans, advocaat te Bergen op Zoom, en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 4 januari 2002 heeft gedaagde met ingang van 8 januari 2002 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Het bestreden besluit van 20 november 2002 strekt er, blijkens de motivering en de brief van 27 februari 2003, toe het besluit van 4 januari 2002 in die zin te herroepen dat de uitkering wordt berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

De in eerste aanleg aangevoerde beroepsgrond van arbeidskundige aard, is door appellant ter zitting van de rechtbank ingetrokken. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, met dien verstande dat (desondanks) gedaagde is veroordeeld tot de vergoeding van griffierecht en proceskosten. De Raad begrijpt dat het hoger beroep van appellant zich beperkt tot de ongegrondverklaring van zijn beroep.

De rechtbank heeft, samengevat, overwogen dat de verzekeringsartsen de voor appellant geldende lichamelijke beperkingen niet hebben onderschat. Wel heeft de rechtbank gesignaleerd dat de door de verzekeringsarts aangegeven beperking ten aanzien van werkzaamheden met grote stress, geen vertaling heeft gevonden in de vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank heeft daarin aanleiding gezien in haar beoordeling uit te gaan van een (maximale) belastbaarheid van appellant inclusief een beperking ten aanzien van werkzaamheden die met grote stress gepaard gaan. Van de belasting in de in bezwaar geduide functies van bankbediende en dompelaar kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangenomen dat deze blijft binnen de grenzen van de voor appellant aldus geldende belastbaarheid. De belasting in de eveneens geduide functies van samensteller, naaister/stikster meubelkleding en wikkelaar blijft volgens de rechtbank wel binnen de belastbaarheid van appellant. Uitgaande van de aan die functies verbonden gemiddelde loonwaarde, leidt dat niet tot de indeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse.

De Raad onderschrijft in grote lijn het oordeel van de rechtbank en haar motivering daarvan. In de door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie, die deels ziet op de situatie ná de hier van belang zijnde datum, ziet de Raad geen aanleiding om aan te nemen dat de rechtbank in haar oordeelsvorming de voor appellant op 8 januari 2002 geldende arbeidsbeperkingen heeft onderschat. Het hoger beroep slaagt daarom niet en de aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2005.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.P. Mulder.