Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU8019

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2005
Datum publicatie
15-12-2005
Zaaknummer
04/5620 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum van de toegekende periodieke uitkering. Uit de thans beschikbare gegevens kan niet alsnog worden afgeleid dat verweerster bij de voorbereiding van haar eerdere besluit toch onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5620 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats] (U.S.A.), eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 15 juli 2004, kenmerk JZ/H70/2004/0385, heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Namens eiseres is tegen dit besluit beroep ingesteld door mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde. In een aanvullend beroepschrift heeft deze gemachtigde aangegeven waarom eiseres zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Onder dagtekening 9 februari 2005 heeft verweerster besloten een gedeeltelijke wijziging in het bestreden besluit aan te brengen, waarmee aan het beroep van eiseres op dit onderdeel is tegemoet gekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 november 2005. Aldaar is eiseres verschenen bij gemachtigde

mr. A. Bierenbroodspot voornoemd en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in 1938, heeft geen vervolging ondergaan in de zin van de Wet. Verweerster heeft geoordeeld dat de ervaringen van eiseres tijdens de oorlogsjaren, met name het omkomen van haar vader ten gevolge van vervolging, met vervolging op één lijn zijn te stellen en in principe grond geven haar met de vervolgde gelijk te stellen. Bij besluit van 31 juli 1998 heeft verweerster geweigerd eiseres met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet, met de vervolgde gelijk te stellen op grond van de overweging dat eiseres niet voldoet aan de door verweerster in dat verband gestelde eis dat sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs in verband staan met het feit dat haar vader als gevolg van vervolging om het leven is gekomen. Dit standpunt is na door eiseres gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 juni 1999. Een door eiseres tegen laatst genoemd besluit ingesteld beroep is bij uitspraak van deze Raad van 21 december 2000,

reg. nr. 99/3527 WUV, ongegrond verklaard. De Raad heeft daarbij geoordeeld dat het standpunt van verweerster op deugdelijke wijze was gemotiveerd door de adviezen van twee geneeskundig adviseurs, die de beschikking hadden over een op verzoek van verweerster ten behoeve van de aanvraag van eiseres verrichte expertise door dr. Jason Richter, psychiater te Seattle. De Raad heeft daarbij in zijn oordeel betrokken dat in de door eiseres in beroep nog ingezonden rapportage van de psychiater Galen Weaver het geheel van de oorlogservaringen van eiseres gedurende haar eerste acht levensjaren wordt aangewezen als de oorzaak van haar psychische problematiek.

Op 6 juni 2001 heeft eiseres bij verweerster andermaal een aanvraag ingediend om toekenning van onder meer een periodieke uitkering ingevolge de Wet. Ter ondersteuning van dit verzoek heeft eiseres een rapport van onderzoek door Gordon W. Petersen, psychiater te Denver, ingestuurd. Deze rapportage is voor verweerster aanleiding geweest aan psychiater H.S.R. Witte te verzoeken een dossierexpertise te verrichten naar de psychiatrische gevolgen bij eiseres van het overlijden van haar vader. Blijkens de op 10 maart 2002 uitgebrachte rapportage met aanvulling d.d. 5 juni 2002 heeft deze psychiater geoordeeld dat er op grond van het nieuw ingekomen onderzoek van psychiater Petersen voornoemd voldoende onderbouwing is voor het oordeel dat het omkomen van de vader in de psychopathologie van eiseres een essentieel element vormt. In navolging van de geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad heeft verweerster het standpunt ingenomen dat de psychische klachten van eiseres redelijkerwijs in verband staan met het omkomen van haar vader en dat deze psychische klachten invaliderend tot uiting zijn gekomen.

Bij besluit van 16 september 2002 heeft verweerster aan eiseres onder meer met ingang van 1 juni 2001 een periodieke uitkering toegekend, waarvan de grondslag met toepassing van artikel 8, vijfde lid, van de Wet is bepaald op het ingevolge de Wet geldende minimum. Een namens eiseres ingediend bezwaar betreffende de hoogte van de grondslag en de ingangsdatum van de haar toegekende periodieke uitkering heeft geleid tot het thans bestreden besluit waarbij de ingangsdatum van de aan eiseres toegekende periodieke uitkering is gehandhaafd op 1 juni 2001 en de grondslag waarnaar haar periodieke uitkering wordt berekend nader is vastgesteld op € 2079,23 per maand.

In hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd heeft verweerster aanleiding gezien bij nader besluit van 9 februari 2005 zoals namens eiseres gevorderd, de voor de berekening van haar periodieke uitkering geldende grondslag vast te stellen op € 2.256,19 per maand. Dit nadere standpunt van verweerster betekent dat de in het bestreden besluit neergelegde grondslagvaststelling berust op een ondeugdelijke motivering. Op dit punt komt het bestreden besluit mitsdien voor vernietiging in aanmerking.

Partijen worden nog verdeeld gehouden door de vraag op welke datum de aan eiseres toegekende periodieke uitkering dient in te gaan.

De Raad overweegt als volgt.

Verweerster heeft conform het bepaalde in artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet de ingangsdatum van de aan eiseres toegekende periodieke uitkering bepaald op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag om uitkering is ingediend. Deze bepaling is van dwingend rechtelijke aard en de Wet bevat geen mogelijkheid hiervan af te wijken. Verweerster hanteert evenwel, met toepassing van artikel 61, tweede lid, van de Wet, de door de Raad al meermalen aanvaardbaar geoordeelde beleidsregel dat wanneer bij een hernieuwde aanvraag als hier aan de orde, blijkt van een bij het nemen van beslissingen over een eerdere aanvraag in het verleden gemaakte ambtelijke fout, aan de ingangsdatum een terugwerkende kracht van, in beginsel, maximaal vijf jaar wordt gegeven.

Eiseres heeft - kort weergegeven - doen betogen dat in haar gezondheidstoestand sedert haar eerdere aanvraag niets is gewijzigd en dat de thans beschikbare gegevens laten zien dat ten aanzien van haar eerdere aanvraag sprake is geweest van een ambtelijke fout.

De Raad kan eiseres in dit standpunt niet volgen. Naar het oordeel van de Raad dient de vraag of bij een eerder besluit sprake is geweest van een ambtelijke fout te worden beoordeeld aan de hand van de ten tijde van dat besluit geldende feiten en omstandigheden. De Raad stelt vast dat uit de thans beschikbare gegevens niet alsnog - anders dan de Raad oordeelde in zijn voormelde uitspraak - kan worden afgeleid dat verweerster bij de voorbereiding van haar eerdere besluit toch onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht. Naar aanleiding van de eerdere aanvraag van eiseres is vanwege verweerster psychiatrisch onderzoek verricht waarop de oordeelsvorming van verweerster vervolgens is gebaseerd. Naar het oordeel van de Raad kan evenmin worden gesteld dat verweerster op basis van de alstoen beschikbare medische gegevens niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de psychische klachten van eiseres niet redelijkerwijs zijn toe te schrijven aan het omkomen van haar vader. Daar doet niet aan af dat verweerster thans op basis van de beschikbare gegevens tot een ander oordeel is gekomen. In het geval van eiseres is sprake geweest van een naar aanleiding van het inzenden van het rapport van psychiater Petersen tot stand gebrachte nadere beoordeling van de beschikbare medische gegevens, die tot een andere conclusie heeft geleid dan in het verleden.

Het voorgaande betekent dat het beroep van eiseres voor zover gericht tegen de ingangsdatum van haar periodieke uitkering ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiseres, ten bedrage van € 322,- aan kosten van juridische bijstand.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de hoogte van de voor eiseres vastgestelde grondslag;

Vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiseres het in dit geding betaalde griffierecht ad € 35,- vergoedt;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.