Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU8011

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
04/6421 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medische noodzaak WUV-voorziening. In dit geding staat centraal de vraag of in het geval van eiseres de in het verleden vastgestelde medische noodzaak voor het houden van een kuur in het hooggebergte is komen te vervallen.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6421 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats] (Groot Brittanië), eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 26 augustus 2004, kenmerk JZ/C70/2004/0570, heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. In het beroepschrift is aangegeven waarom zij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 november 2005. Aldaar is eiseres niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren [in] 1925, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Aan haar zijn diverse voorzieningen op grond van artikel 20 dan wel 21 van de Wet toegekend, die verband houden met haar met de vervolging samenhangende psychische klachten, longklachten en maag- en darmklachten. Naar uit de gedingstukken van medische aard blijkt, zijn de longklachten van eiseres het gevolg van een doorgemaakte long TBC. In februari 1989 heeft eiseres bij verweerster een verzoek ingediend voor een verblijf van vier weken in het hooggebergte (Davos) in verband met een kuur voor deze longklachten. Blijkens de beschikbare medische stukken, waaronder die behorende bij door eiseres bij de Bondsrepubliek Duitsland op grond van het Bundesentschädigungsgesetz ingediende aanvragen om vergoeding, betrof het een “freie Klimakur”, die verband hield met de bij eiseres bestaande inactieve longtuberculose en nodig was in verband met een “pneumologische Rehabilitation in staub- und allergenarmen Hochgebirgsklima”.

Verweersters rechtsvoorganger, de Uitkeringsraad, heeft in navolging van haar geneeskundig adviseur voor het houden van een dergelijke kuur een medische noodzaak als bedoeld in artikel 20 van de Wet aanwezig geacht en aan eiseres bij besluit van 1 juni 1990 een vergoeding toegekend voor een verblijf, éénmaal in de twee jaar gedurende vier weken in een kuurinrichting in Davos, voor zover deze kosten niet op andere wijze worden gedekt. Bij besluiten van verweerster van

5 oktober 1995 en 24 mei 1996 is aan eiseres voor de jaren 1995, 1996 en 1997 op grond van artikel 20 van de Wet vergoeding toegekend voor een kuur in het hooggebergte (Davos dan wel Engelberg), welke toekenning bij besluit van

26 maart 1998 is herhaald voor de jaren 1998, 1999 en 2000. Blijkens besluit van 8 augustus 2001 heeft verweerster voor de jaren 2001, 2002 en 2003 in verband met de bij eiseres aanwezige uit de vervolging voortvloeiende longklachten nog immer een medische indicatie aanwezig geacht voor een door eiseres te houden kuur in het hooggebergte jaarlijks gedurende vier weken.

In november 2003 heeft eiseres bij verweerster andermaal een aanvraag ingediend voor toekenning van een vergoeding van een verblijf in een kuuroord in de bergen. Bij besluit van 9 juni 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster geweigerd aan eiseres een vergoeding toe te kennen voor deze voorziening, omdat deze in verband met de bij eiseres aanwezige longklachten niet medisch noodzakelijk is. Verweerster heeft aan eiseres in plaats daarvan op grond van artikel 20 van de Wet een vergoeding toegekend voor extra vakantie gedurende drie weken in 2004, zulks in verband met bij eiseres gewekt vertrouwen en onder aantekening dat bij gelijkblijvende omstandigheden geen nieuwe toekenningen zullen worden gedaan.

Eiseres kan zich niet verenigen met verweersters weigering de jaarlijks aan haar toegekende vergoedingen voor het houden van een kuur in het hooggebergte voort te zetten.

In dit geding staat centraal de vraag of in het geval van eiseres de in het verleden vastgestelde medische noodzaak voor het houden van een kuur in het hooggebergte is komen te vervallen. De Raad beantwoordt deze vraag op grond van de volgende overwegingen ontkennend.

Blijkens het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies van de geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad, heeft deze geen medische noodzaak (meer) aanwezig geacht voor de door eiseres gevraagde kuur in het hooggebergte, omdat sprake is van een inactieve TBC, waarvoor geen speciale daarop gerichte behandeling of kuur noodzakelijk is. De Raad stelt vast dat ook reeds in 1989 en alle daarop volgende jaren sprake was van een inactieve TBC en dat deze omstandigheid er nimmer aan in de weg heeft gestaan om het houden van een kuur in het hooggebergte voor eiseres medisch noodzakelijk te achten. Naar verweersters vertegenwoordiger ter terechtzitting heeft verklaard, is in de medische situatie van eiseres met betrekking tot haar longklachten geen wijziging opgetreden. Nu ook verweersters toekenningenbeleid met betrekking tot voorzieningen als thans in geding niet is gewijzigd, noch de door eiseres te volgen kuur (een zogenoemde “Heilklimatische Kur”, zonder fysiotherapeutische behandelingen) anders is dan voorheen, had verweerster naar het oordeel van de Raad niet anders kunnen doen dan ook thans weer een medische indicatie aanwezig te achten voor de door eiseres gevraagde voorzieningen en aan haar de gevraagde vergoedingen toe te kennen.

Het voorgaande betekent dat het beroep van eiseres gegrond verklaard moet worden en het bestreden besluit, als zijnde genomen in strijd met artikel 20 van de Wet, moet worden vernietigd.

Van proceskosten die op voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, is de Raad niet gebleken.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt voorts dat verweerster aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad € 35,-vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.