Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU8001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
04/7306 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verrekening van teveel betaalde periodieke uitkering met voorzieningen mogelijk?

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 59a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7306 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 26 november 2004, kenmerk JZ/S80/2004/0783, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift, zoals nadien onder inzending van nadere stukken meermalen schriftelijk aangevuld, is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft daarop schriftelijk gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 november 2005, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. T.H.R. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiser, geboren in 1938, gelijkgesteld met de vervolgde en als zodanig uitkeringsgerechtigde ingevolge de Wet.

In het kader van de definitieve berekening van eisers periodieke uitkering over het jaar 2003 is verweerster gebleken dat bij de voorlopige berekening van die uitkering ten onrechte geen rekening is gehouden met eisers inkomsten als pensioengerechtigde ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp). Dit heeft bij, voor het jaar 2003 definitieve, berekeningsbeschikking van 30 september 2004, en het daarbij behorende nader bericht van 1 oktober 2004, geleid tot een negatieve bijstelling van de over 2003 voorlopig berekende periodieke uitkering en tot terugvordering van het over dat jaar aan periodieke uitkering teveel betaalde bedrag van € 1.686,30.

Het door eiser tegen deze terugvordering ingediende bezwaar heeft verweerster bij het bestreden besluit ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het dwingende karakter van artikel 59a van de Wet. In dit verband is, onder meer, gesteld dat eiser ten onrechte van zijn inkomsten ingevolge de Wbp geen melding heeft gemaakt. Aangegeven is voorts dat vereffening zal plaatsvinden door verrekening van de schuld met de ingevolge de Wet aan eiser toekomende bijzondere voorziening in de kosten van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten.

In bezwaar en beroep is door eiser aangevoerd - kort samengevat - dat het hem niet valt aan te rekenen dat zijn periodieke uitkering aanvankelijk op een te hoog bedrag werd vastgesteld. Met name is eiser van mening dat hij erop mocht vertrouwen dat verweerster als orgaan van dezelfde organisatie, de Pensioen- en Uitkeringsraad, op de hoogte zou zijn van zijn door de Raadskamer Wbp verstrekt buitengewoon pensioen. Eiser acht het daarom volstrekt misplaatst dat hem door verweerster is verweten dat hij niet aan de op hem rustende informatieverplichtingen heeft voldaan. Verder acht eiser de verrekening van de hem teveel betaalde periodieke uitkering met de hem toekomende bijzondere voorziening onrechtmatig.

In dit geding is aan de orde de vraag of, gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

De Raad beantwoordt die vraag op grond van de navolgende overwegingen bevestigend.

Ingevolge artikel 59a, eerste en tweede lid, van de Wet draagt de administratieve uitwerking van een beschikking van verweerster in een berekeningsbeschikking een voorlopig karakter, en wordt deze in het kalenderjaar volgend op het jaar waarin die berekeningsbeschikking is afgegeven definitief vastgesteld. Hetgeen na definitieve vaststelling blijkt teveel te zijn uitbetaald dient te worden teruggevorderd.

De Raad stelt vast dat de definitieve vaststelling van de aan eiser over het jaar 2003 toekomende periodieke uitkering overeenkomstig deze bepalingen heeft plaatsgevonden. Nu uit die vaststelling bleek dat aan eiser teveel is uitbetaald, ontstond daarmee voor verweerster de verplichting om tot terugvordering van het teveel betaalde over te gaan. De vraag of terzake aan eiser enig verwijt kan worden gemaakt is hierbij niet relevant. Dit betekent dat de Raad het dispuut hierover niet in zijn beoordeling kan betrekken.

De verrekening van teveel betaalde periodieke uitkering met een voorziening als de onderhavige heeft de Raad eerder in beginsel, mits met behoedzaamheid en met oog voor de bijzondere omstandigheden van het voorliggende geval gehanteerd, toelaatbaar geoordeeld. In aanmerking genomen dat eiser, met inbegrip van zijn buitengewoon pensioen, zoveel andere inkomsten heeft dat zijn periodieke uitkering ingevolge de Wet niet tot uitbetaling komt, ziet de Raad voor die verrekening onder de omstandigheden van dit geval geen beletsel.

Het beroep kan mitsdien niet slagen.

De Raad acht voorts geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.