Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU7930

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
05-580 WSF + 05-1552 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering. Afwijking woonadres met GBA-adres. Is ten onrechte besloten betrokkene op basis van artikel 1.5 van de WSF 2000 studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende te onthouden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2006, 60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/580 WSF + 05/1552 WSF

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, appellante,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Door appellante is op bij aanvullend beroepschrift van 21 februari 2005 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 december 2004, nr. WSFBSF 04/781

(LJN-nr. AT 2924, RSV 2005, 113).

Bij brief van 4 maart 2005 heeft appellante een nader besluit op bezwaar van 4 maart 2004 (lees: 2005) toegezonden, waarbij uitvoering is gegeven aan voormelde uitspraak van de rechtbank. Appellante heeft de Raad verzocht dit nadere besluit eveneens te vernietigen, indien de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond wordt verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 oktober 2005. Aldaar heeft appellante zich doen vertegenwoordigen door mr. M. van der Toorn, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn vader [naam vader].

II. MOTIVERING

Bij formulier van 9 september 2003 heeft gedaagde aan appellante opgegeven dat hij vanaf 1 september 2003 niet meer bij zijn ouders aan de [adres 1] te [woonplaats] woont, maar aan de [adres 2] te [plaatsnaam].

Hierop is gedaagde door appellante bij besluit van 19 september 2003 met ingang van 1 september 2003 voor zijn opleiding vrijetijdsmanagement aan de internationale hogeschool Breda studiefinanciering toegekend naar de norm voor een uitwonende studerende.

Bij schrijven gedagtekend 15 oktober 2003 is door appellante aan gedaagde bekendgemaakt dat bij controle is gebleken dat het woonadres dat gedaagde doorgegeven heeft aan appellante, [adres 2] te [plaatsnaam], in de maand september 2003 afwijkt van het adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna ook: GBA) ingeschreven staat, te weten [adres 1] te [woonplaats]. Aangegeven is daarbij dat, indien gedaagde zijn (nieuwe) woonadres nog niet heeft doorgegeven aan de gemeente, dit binnen vier weken alsnog moet gebeuren. Verder is aangegeven dat, indien het woonadres dat aan appellante is doorgegeven niet (meer) juist is, gedaagde dat, ook alsnog binnen vier weken door moet geven. Gedaagde is gewaarschuwd dat, indien hij de afwijking van het aan appellante opgegeven woonadres van het adres waarop hij in de GBA ingeschreven staat niet binnen vier weken ongedaan maakt, appellante de aan gedaagde toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende met ingang van september 2003 omzet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

Vervolgens heeft appellante bij besluiten van 12 december 2003 de aan gedaagde toegekende studiefinanciering met ingang van september 2003 omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende. Overwogen is daartoe dat het woonadres dat gedaagde aan appellante heeft opgegeven afwijkt van het adres waarop gedaagde in de GBA ingeschreven staat en dat gedaagde heeft verzuimd deze afwijking ongedaan te laten maken.

Het bezwaar dat gedaagde tegen de besluiten van 12 december 2003 heeft gemaakt is bij besluit van 22 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) door appellante onder verwijzing naar artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000

(WSF 2000) ongegrond verklaard.

In beroep en hoger beroep is hiertegen door gedaagde aangevoerd dat de houder van de GBA te Breda heeft geweigerd hem in te schrijven aan het adres [adres 2] op de grond dat degene van wie hij (onder)huurde niet in de GBA was ingeschreven aan dit adres en er al meerdere personen aan de [adres 2] ingeschreven stonden. Daarbij is, aldus gedaagde, namens de houder van de GBA aangegeven dat gedaagde uitsluitend alsnog als bewoner van het adres [adres 2] in zal worden geschreven indien hij een huurovereenkomst met de hoofdverhuurster - de [naam Stichting] - sluit en toont. Gedaagde heeft contact gelegd met de [naam Stichting], maar deze was niet bereid om de voor inschrijving in de GBA gevraagde overeenkomst met hem aan te gaan, omdat er sprake was van niet toegestane onderverhuur. Naar aanleiding van de bekendmaking van 15 oktober 2003 is door de vader van gedaagde opnieuw contact gelegd met de houder van de GBA. Dit heeft evenwel niet geleid tot inschrijving van gedaagde aan meergenoemd adres.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank Utrecht het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, een en ander met een aanvullende beslissing inzake de vergoeding van het door gedaagde betaalde griffierecht. Daartoe is overwogen dat gedaagde redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van de afwijking tussen het door hem aan appellante opgegeven woonadres en het adres waarop hij in de GBA ingeschreven staat.

Appellante heeft zich niet met de uitspraak van de rechtbank Utrecht kunnen verenigen en heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een situatie waarin de uitwonende studerende van de gebleken afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Aangegeven is dat appellante niet langer het standpunt inneemt dat in de ‘Beleidsregel uitzonderingen sanctiebepaling artikel 1.5 WSF 2000’ van 2 juni 2003 (AGOCenW/MT/03.064) een limitatieve opsomming is gegeven van de situaties waarin een uitwonende studerende van een afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. In de optiek van appellante is ook sprake van een situatie waarin de uitwonende studerende van een gebleken afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt als de houder van de GBA ten onrechte weigert om een aangifte te verwerken. In het onderhavige geval is echter, aldus appellante, niet gebleken van een fout aan de zijde van de houder van de GBA. In dit verband is erop gewezen dat de houder van de GBA een onderzoeksplicht heeft en dus niet elke aangifte klakkeloos hoeft te accepteren. Verder is aangevoerd dat uit een overgelegde mailwisseling tussen appellante en de gemeente Breda, die dateert van na de aangevallen uitspraak, is af te leiden dat de inschrijving van gedaagde in de GBA aan zijn woonadres niet kan zijn geweigerd op grond van vastgesteld beleid en dus niet (praktisch) onmogelijk was. Derhalve mocht, aldus appellante, van gedaagde worden verwacht dat hij nadere stappen nam om zich alsnog in de GBA in te laten schrijven aan het adres [adres 2]. Verder heeft appellante gewezen op de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 december 2004, nr. 04/743 WSFBSF, waarin in een met het onderhavige geval vergelijkbare situatie door de rechtbank is geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat betrokkene redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van de gebleken afwijking.

De Raad overweegt als volgt.

Uitwonende studerenden kunnen in aanmerking komen voor een hoger bedrag aan studiefinanciering dan thuiswonende studerenden.

Ingevolge de begripsbepalingen van artikel 1.1 van de WSF 2000 wordt onder een thuiswonende studerende verstaan een ‘studerende die woont op het adres van zijn ouders of van een van hen’ en onder uitwonende studerende een ‘studerende die niet een thuiswonende studerende is’.

De Raad stelt vast tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde vanaf september 2003 zijn hoofdverblijf had aan het adres [adres 2] te [plaatsnaam] en een uitwonende studerende was in vorenbedoelde zin.

Bij Wet van 13 december 2000, houdende wijziging van enige wetten teneinde de aanspraak jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen afhankelijk te maken van het in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen gegeven omtrent het adres van een ingezetene (Stb. 2001, 67), is de regeling inzake het recht op studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende gewijzigd. Ingevolge deze wet luidt artikel 1.5 van de

WSF 2000 vanaf 1 januari 2002 als volgt:

“1. Indien bij controle door de IB-Groep blijkt dat het door de studerende verstrekte adres afwijkt van het adres waarop de studerende in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, maakt de IB-Groep dit aan hem bekend en stelt hem in de gelegenheid de afwijking te herstellen.

2. Indien een uitwonende studerende de afwijking niet binnen 4 weken na de bekendmaking herstelt, wordt met ingang van de maand waarin de afwijking is ontstaan, de aan hem toegekende beurs omgezet in een beurs voor een thuiswonende studerende, tenzij hem van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

3. Indien een uitwonende studerende de afwijking na de termijn van 4 weken alsnog herstelt, wordt met ingang van de maand daaropvolgend de beurs voor een thuiswonende studerende omgezet in een beurs voor een uitwonende studerende.”

Naar het oordeel van de Raad heeft appellante bij het bestreden besluit ten onrechte de beslissing gehandhaafd om gedaagde op basis van artikel 1.5 van de WSF 2000 met ingang van 1 september 2003 studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende te onthouden.

Daartoe wordt overwogen dat niet in geschil is dat gedaagde feitelijk woonachtig was op het adres [adres 2] te [plaatsnaam] en de Raad, gelet op de thans voorhanden zijnde stukken en gezien en gehoord gedaagde en zijn vader, ervan overtuigd is geraakt dat gedaagde zich die inspanningen heeft getroost om zich in de GBA in te (kunnen) laten schrijven aan zijn feitelijke woonadres [adres 2] die redelijkerwijs van hem gevergd konden worden. Dat de houder van de GBA heeft geweigerd gedaagde in te schrijven maakt dit in de onderhavige situatie niet anders. Gedaagde kan naar het oordeel van de Raad redelijkerwijs geen verwijt worden gemaakt van de gebleken afwijking tussen het woonadres dat gedaagde aan appellante heeft opgegeven, meergenoemde [adres 2], en zijn GBA-adres.

In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat het hoger beroep van appellante niet slaagt, dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en dat het nadere besluit op bezwaar van 4 maart 2004 (lees: 2005) in rechte stand houdt.

Nu de aangevallen uitspraak in stand wordt gelaten dient van de Informatie Beheer Groep voor het onderhavige hoger beroep een griffierecht van € 414,- te worden geheven.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten aan de zijde van gedaagde.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van de Informatie Beheer groep een griffierecht wordt geheven van € 414,-.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.