Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU7824

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2005
Datum publicatie
13-12-2005
Zaaknummer
04/1679 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag wegens arbeidsongeschiktheid. Zijn voldoende inspanningen gedaan betrokkene te reïntegreren in zijn eigen functie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1679 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] , wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 februari 2004, nr. 03/1430 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 oktober 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door J.C. Verwijs en mr. C.F. Oonincx, beiden werkzaam bij het Bureau voor Arbeidsrecht te Etten-Leur. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.T. Wigger, werkzaam bij Van Kleef en Partners B.V. te Boskoop, en A.C.R. Elshout, werkzaam bij de gemeente Steenbergen.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sedert 1 mei 1984 werkzaam bij de gemeente Dinteloord en Prinsenland. Bij de gemeentelijke herindeling is appellant benoemd in de functie van medewerker buitendienst/groenvoorziening bij de nieuwe gemeente Steenbergen. Op 21 oktober 1998 heeft appellant zijn werkzaamheden moeten staken wegens klachten aan zijn rechterarm. Hij werd ten aanzien van de rechterarm beperkt geacht voor repeterende en belastende werkzaamheden. Na een langdurige periode van arbeidsongeschiktheid heeft appellant hervat in zijn eigen werk dat hij nadien wederom heeft moeten staken. Het voormalig Landelijk instituut sociale verzekeringen heeft appellant bij besluit van 18 oktober 1999, onder overweging dat hij ongeschikt wordt geacht voor zijn arbeid maar dat hij andere algemeen geaccepteerde arbeid kan verrichten, in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Appellant heeft daarna gedurende twee korte periodes vanaf 9 augustus 2001 en vanaf februari 2002 werkzaamheden verricht als beheerder van een sporthal in het kader van een reïntegratietraject.

1.2. In september 2002 heeft gedaagde een ontslagprocedure in gang gezet. Naar aanleiding van een verzoek om advies functieongeschiktheid (hierna: FOA-aanvraag) is op 13 januari 2003 geadviseerd dat appellant op de voorgenomen ontslagdatum gedurende twee jaar wegens ziekte of gebrek arbeidsongeschikt is geweest voor de functie van medewerker groenvoorziening en dat naar verwachting ook zes maanden na genoemde datum nog zal zijn. Bij besluit van 20 januari 2003 heeft gedaagde appellant vervolgens met ingang van 1 februari 2003 eervol ontslag verleend uit zijn betrekking wegens arbeidsongeschiktheid. Dit besluit heeft gedaagde, na gemaakt bezwaar, bij het bestreden besluit van 19 mei 2003 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel tot stand is gekomen. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht overweegt hij het volgende.

3.1. Appellant heeft allereerst als grief aangevoerd dat gedaagde niet voldoende inspanningen heeft gedaan appellant te reïntegreren in zijn eigen functie. De Raad stelt vast dat uit het verslag van 10 mei 1999 en de toelichting van gedaagde op de FOA-aanvraag, gegeven bij de brief van 16 december 2002, blijkt dat mogelijkheden voor lichtere werkzaamheden binnen de sector grondgebiedzaken niet aanwezig waren en dat het traject gericht op terugkeer in de eigen functie van appellant wegens aanhoudende medische klachten onhaalbaar werd geacht. De reïntegratie-inspanningen werden daarna conform artikel 8:5, tweede lid, onder c, van de CAR/UWO gericht op werkzaamheden elders binnen de gemeentelijke organisatie. Blijkens het verslag van het gesprek op 9 mei 2000 werden met appellant verschillende reïntegratie-mogelijkheden besproken, zoals medewerker schoonmaak gymzaal Nieuw-Vossemeer, beheerder sporthal en het inzetten van appellant bij de zwembadaccommodaties. Uit genoemd gespreksverslag noch uit de overige gedingstukken is gebleken dat appellant reïntegratie in zijn eigen arbeid ambieerde. Gezien al deze omstandigheden kan deze grief naar het oordeel van de Raad niet slagen.

3.2. Appellant zou de in het gesprek van 9 mei 2000 genoemde mogelijkheden in overweging nemen en uiteindelijk zijn partijen na uitvoerig overleg doorgegaan op de functie van beheerder sporthal. De Raad kan appellant gelet op het voorgaande niet volgen in zijn standpunt dat hem slechts één functie is aangeboden.

3.3. Ter zitting heeft appellant naar voren gebracht dat de functie van beheerder sporthal te zwaar was en daarom niet tot een goed resultaat kon leiden. Dat de functie van beheerder sporthal achteraf in medisch opzicht niet passend bleek, maakt naar het oordeel van de Raad echter niet dat geoordeeld dient te worden dat geen sprake is geweest van een voldoende zorgvuldig herplaatsingsonderzoek. Er is immers vooraf overleg geweest met de arbo-arts en de arbeidsdeskundige die geen bezwaren zagen. Voorts heeft de arbo-arts advies gegeven over hoe appellant met zijn beperkingen diende om te gaan. Zo werd geadviseerd de werkzaamheden te spreiden en er voor te zorgen dat niet meer dan één uur achtereen, maximaal twee uur per dag repeterende armbewegingen werden gemaakt. Daarnaast heeft gedaagde wegens de door appellant destijds ondervonden knieklachten een snorfiets aangeschaft voor gebruik door appellant voor het vervoer van en naar het werk. Niettemin heeft appellant de werkzaamheden als beheerder sporthal wegens medische klachten moeten staken. In het daarop gevolgde door appellant aangevraagde deskundigenoordeel van 10 april 2002 van arbeidsdeskundige G.J. Akkerman is aangegeven dat de arbeid niet passend wordt geacht, waarbij laatstgenoemde uitdrukkelijk heeft vermeld dat beide partijen ter zake van de reïntegratie-inspanningen zich te goeder trouw hadden opgesteld.

3.4. Vervolgens heeft gedaagde blijkens de toelichting op de FOA-aanvraag overwogen of er op de milieustraat een functie voor appellant viel te creëren. Dit werd niet haalbaar geacht omdat het nooit een structureel volledige dagtaak zou kunnen betreffen. De Raad kan gedaagde hierin volgen.

3.5. Met betrekking tot de sollicitaties naar de functies van bode en onderhouds-medewerker heeft de Raad geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Wat betreft de functie van bode overweegt de Raad nog dat gedaagde daarin een andere herplaatsingskandidaat heeft benoemd die, zoals namens gedaagde ter zitting van de Raad onweersproken is opgemerkt, evenmin terug kon keren naar zijn oorspronkelijke functie. Bovendien was deze herplaatsingskandidaat reeds sedert 22 januari 2001 op arbeids-therapeutische basis als bode werkzaam geweest.

3.6. Tot slot overweegt de Raad dat voor zover er al een conflict tussen gedaagde en appellant is geweest, dit speelde in de omgeving van de eigen functie van appellant van medewerker buitendienst/groenvoorziening. Met de aangeboden functie van beheerder sporthal werd appellant uit die omgeving weggehaald. Derhalve ziet de Raad niet in hoe een bemiddeling zoals door appellant voorgestaan een zinvolle bijdrage had kunnen opleveren voor het welslagen van het herplaatsingsonderzoek. Ook deze grief slaagt derhalve niet.

3.7. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat de inspanningen om appellant passende arbeid op te dragen, gelet op enerzijds de beperkte vooropleiding en de medische beperkingen van appellant en anderzijds het klaarblijkelijk ontbreken van voldoende geschikte vacatures binnen de openbare dienst van de gemeente van gedaagde, niet onvoldoende zijn geweest. De aangevallen uitspraak dient daarom bevestigd te worden.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.

HD

14.11