Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU7823

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2005
Datum publicatie
13-12-2005
Zaaknummer
03/5121 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inschaling academisch medisch specialist ogv de Honoreringsregeling 1999. Reparatiebeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5121 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van Bestuur van het Academisch Medisch Centrum, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2003, nr. AWB 01/4432 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen nog nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 oktober 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. C.I. van Gent, advocaat te Den Haag. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.C. Siemons, advocaat te Amsterdam, en

mr. N.Y. Polak, werkzaam bij het Academisch Medisch Centrum (AMC).

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is als [functie] werkzaam bij het AMC. Tot 1 juni 1999 kende het AMC een bijzondere honoreringsregeling voor academisch medisch specialisten: de Regeling Aanstelling en Honorering Medisch Specialisten AMC (RAHMS). Strekking van de RAHMS was - kort gezegd - dat specialisten boven op het bij de ambtelijke schaal behorende salaris een - eveneens tot het ambtelijk salaris behorende - zogeheten RAHMS-toelage ontvingen. Daartoe werden zij, naast hun reguliere schaal, ook in een bepaalde RAHMS-schaal ingeschaald. De RAHMS-inschaling, waarin het reguliere salaris was opgenomen, was uiteindelijk bepalend voor de hoogte van het totale salaris.

1.2. Op 7 april 1999 hebben de belangenverenigingen van academische ziekenhuizen en medisch specialisten het Onderhandelaarsakkoord Honorering Medisch Specialisten gesloten. Deze zogenoemde Honoreringsregeling, neergelegd in hoofdstuk 14a (de artikelen 109 tot en met 109.20) van het bij gedaagde geldende Rechtspositiereglement Academisch Medisch Centrum (RRAMC), is op 1 juni 1999 van kracht geworden en voorziet onder meer in de invoering van een nieuw stelsel van salarisschalen.

1.3. Op grond van het bepaalde in artikel 109.6 van het RRAMC is bij het bepalen van de nieuwe salarisschaal van de specialist per 1 juni 1999 onder andere relevant de vóór die datum voor de specialist geldende ambtelijke salarisschaal. Degene met tenminste twee dienstjaren en die in de ambtelijke schaal 12 of 13 was ingedeeld, wordt ingeschaald in de nieuwe salarisschaal “academisch medisch specialist” (AMS) en degene, die in schaal 14 of 15 was ingedeeld, wordt ingeschaald in de nieuwe salarisschaal “academisch hoofdspecialist” (AHS).

1.4. Bij de besluitvorming met betrekking tot de herinschaling van de bij het AMC werkzame specialisten is gedaagde geconfronteerd met specialisten, die in het verleden zijn benoemd tot de vóór 1 juni 1999 in het AMC bestaande functie van academisch hoofdspecialist, zonder dat daarbij de gebruikelijke bevordering naar salarisschaal 14 heeft plaatsgevonden. Hieraan is destijds door zowel gedaagde als de betrokken specialist (te) weinig aandacht geschonken, omdat de hoogte van het salaris werd bepaald door de RAHMS-inschaling, waarbij het ambtelijk salaris, ongeacht de hoogte ervan, werd aangevuld tot het bedrag waarop op grond van de RAHMS-inschaling aanspraak bestond.

1.5. Gedaagde is tot de conclusie gekomen dat in die gevallen waarin een benoemde academisch hoofdspecialist niet is ingedeeld in schaal 14, een correctie van de in artikel 109.6 van het RRAMC neergelegde uitgangssituatie op zijn plaats is. Besloten is om voor specialisten die waren benoemd tot academisch hoofdspecialist, bij de herinschaling per

1 juni 1999 uit te gaan van een fictieve inschaling in schaal 14 met ingang van de datum van benoeming tot academisch hoofdspecialist. De jaren waarin de specialist werkzaam is (geweest) als academisch hoofdspecialist worden aangemerkt als jaren, waarin de specialist was ingeschaald in schaal 14.

2.1. Bij primair besluit van 22 januari 2001 heeft gedaagde appellante per 1 juni 1999 ingedeeld in de nieuwe salarisschaal aangeduid als “academisch medisch specialist” (AMS), trede 11 (zijnde de maximum trede van die schaal). Hierbij heeft gedaagde overwogen dat appellante vóór 1 juni 1999 werkzaam was als academisch specialist, bezoldigd naar de ambtelijke schaal 12, hetgeen gelet op het bepaalde in artikel 109.6, derde lid, onder a, van het RRAMC inschaling als AMS tot gevolg heeft. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 7 november 2001.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep van belang, het beroep van appellante tegen deze inschaling ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep is tussen partijen nog slechts in geschil de vraag of gedaagde ervan had moeten uitgaan dat appellante vóór 1 juni 1999 de functie van academisch hoofdspecialist vervulde en haar aldus per die datum, met toepassing van het hiervoor onder 1.5. omschreven reparatiebeleid, had moeten inschalen in de AHS-schaal.

3.2. Appellante bestrijdt niet dat op haar, nu zij vóór 1 juni 1999 in schaal 12 was ingedeeld en niet tot academisch hoofdspecialist was benoemd, strikt genomen het reparatiebeleid niet van toepassing is. Zij stelt zich echter op het standpunt dat zij vóór

1 juni 1999 feitelijk de functie van academisch hoofdspecialist vervulde en ook die positie had. Gedaagde had er bij de herinschaling per 1 juni 1999 dan ook vanuit moeten gaan alsof appellante was benoemd tot academisch hoofdspecialist. Een zodanige benoeming is haar in het verleden ook toegezegd, maar door omstandigheden buiten appellante om is die toezegging nimmer omgezet in een formele benoeming. Hiertegen heeft appellante in het verleden geen bezwaar gemaakt, omdat zij daarbij geen procesbelang had, nu haar bezoldiging door zo’n benoeming niet zou wijzigen.

3.3. Van de zijde van gedaagde is aangevoerd dat de herinschaling op grond van de Honoreringsregeling van technische aard was, waarbij als uitgangspunt werd genomen de indeling in de oude salarisschaal. De vraag of die indeling recht deed aan de aard en zwaarte van de werkzaamheden waarmee de betrokkenen waren belast, staat daar in beginsel buiten. Daarvoor staan en stonden de betrokkenen andere rechtsgangen ter beschikking. Slechts in die gevallen, waarin er een besluit voorlag met betrekking tot benoeming tot academisch hoofdspecialist, maar waarin desondanks geen bevordering naar schaal 14 heeft plaatsgevonden, is besloten tot een correctie op het in de Honoreringsregeling neergelegde uitgangspunt. Daarbij heeft gedaagde benadrukt dat de functie van academisch hoofdspecialist bij het AMC vóór 1 juni 1999 een separate van de academisch specialist te onderscheiden hogere functie c.q. rang was. Overigens betwist gedaagde dat appellante in 1987 een door hem te honoreren toezegging is gedaan dat zij zou worden benoemd tot academisch hoofdspecialist.

4.1. De Raad is van oordeel dat gedaagde met zijn reparatiebeleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten is gegaan. In het bijzonder kon gedaagde daarbij als uitgangspunt nemen dat sprake moest zijn van een aanwijsbaar besluit tot benoeming als academisch hoofdspecialist, omdat aan zo’n benoeming in beginsel ook een hogere ambtelijke salarisschaal was verbonden. De vraag of de indeling in de oude salarisschaal dan wel de functiebenaming overigens op goede gronden berustte, kon gedaagde buiten dit beleid laten. Daarvoor zijn, zoals gedaagde ook terecht heeft opgemerkt, andere rechtsgangen beschikbaar.

4.2. De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd geen aanleiding kunnen vinden voor het oordeel dat gedaagde, ondanks het feit dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden van het reparatiebeleid, dit beleid toch op haar inschaling had moeten toepassen.

Weliswaar is appellant in 1987 medegedeeld dat zij in beginsel in 1990 benoembaar was tot academisch hoofdspecialist, maar tot een daadwerkelijke voordracht tot benoeming is het niet gekomen. Evenmin is de Raad gebleken van een zodanige toezegging in 1987 tot een benoeming in 1990, dat gedaagde in 1999 gehouden zou zijn ervan uit te gaan dat zo’n benoeming ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De Raad tekent hierbij aan dat appellante nimmer bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat zij niet voor benoeming is voorgedragen, ondanks dat zij van mening was daarvoor wel in aanmerking te komen. Het feit dat een en ander voor de salariëring niet uitmaakte noch het feit dat die benoeming in het slop zou zijn geraakt door omstandigheden, waarop appellante geen invloed kon uitoefenen, behoefden voor gedaagde aanleiding te zijn niet van de feitelijke situatie uit te gaan.

5. Uit het vorenstaande volgt dat de onder 3.1. geformuleerde vraag door de Raad ontkennend wordt beantwoord. De aangevallen uitspraak komt, voor zover in hoger beroep aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

6. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. A. Beuker-Tilstra als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2005.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

07.11