Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU7814

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2005
Datum publicatie
12-12-2005
Zaaknummer
04/2726 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medewerker verkeer. Ziekmelding na conflict. Detachering. Proefplaatsing. Niet verschenen na hersteldverklaring.

Is strafontslag evenredig aan plichtsverzuim? Disciplinair ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2726 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 april 2004, nr. AWB 03/1133 AW GIF, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd zijn namens appellant nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 oktober 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. F.H.I. Hundscheid, advocaat te Heerlen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.M. Heijboer-Bartels, werkzaam bij de gemeente Heerlen en H. Rijsmus, werkzaam bij RD4.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sedert 1978 werkzaam bij de gemeente Heerlen, laatstelijk als medewerker verkeer bij de sectie onderhoud verkeer van de dienst Openbare Werken. In verband met een langlopend conflict tussen appellant en een collega heeft appellant zich op 14 maart 2000 ziekgemeld. Op 28 maart 2000 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat appellant weer aan het werk kan als het conflict met zijn collega is opgelost of appellant of zijn collega elders te werk wordt gesteld.

1.2. Vervolgens is getracht het conflict tussen appellant en zijn collega op te lossen en zijn appellant twee functies voorgehouden. Beide functies waren evenwel volgens appellant gezien zijn nek- en schouderklachten niet passend.

1.3. Uiteindelijk heeft de directeur van de dienst Openbare Werken geconcludeerd dat een oplossing van het conflict tussen appellant en zijn collega niet mogelijk is gebleken. Appellant kon dan ook volgens hem niet meer terugkeren naar zijn functie van medewerker verkeer. Nadat was gebleken dat er voor appellant ook geen passende functie binnen de gemeente Heerlen beschikbaar was heeft het hoofd van de afdeling Personeel en Organisatie appellant bij brief van 19 december 2001 meegedeeld dat hij voornemens was gedaagde voor te stellen appellant te ontslaan wegens verstoorde verhoudingen. In het gesprek dat daarna volgde is afgesproken dat appellant tot 1 september 2002 alsnog de gelegenheid zou krijgen een passende functie te vinden. Daarbij is onder meer als voorwaarde gesteld dat appellant iedere passende functie diende te aanvaarden. Indien voor 1 september 2002 geen passende functie voor appellant zou zijn gevonden zou gedaagde voorgesteld worden appellant alsnog ontslag te verlenen wegens verstoorde verhoudingen.

1.4. Vervolgens is appellant per 22 juli 2002 gedetacheerd als medewerker straatclusters bij RD4. Daarbij is afgesproken dat appellant ter gewenning aan het arbeidsproces de eerste maand voor 50% van zijn arbeidstijd de werkzaamheden in die functie zou vervullen. Indien “de opstelling” na de overeen te komen periode van enkele maanden niet door appellant of door RD4 werd gecontinueerd, zou de detachering worden beëindigd en ontslag wegens verstoorde verhoudingen volgen. Op 25 juli 2002 heeft appellant zich ziekgemeld, omdat hij van mening was dat de werkzaamheden in de functie van medewerker straatclusters voor hem lichamelijk te belastend waren. De bedrijfsarts heeft appellant op 26 juli 2002 geschikt geacht om te werken. De daarop volgende werkdag, maandag 29 juli 2002, heeft appellant verlof opgenomen en op 30 juli 2002 heeft appellant zich opnieuw ziekgemeld. De bedrijfsarts heeft op 30 juli 2002 wederom vastgesteld dat appellant niet arbeidsongeschikt is en dat appellant zijn werkzaamheden kon hervatten. Appellant heeft naar aanleiding van dit oordeel van de bedrijfsarts bij wijze van second opinion een onafhankelijk deskundigenonderzoek aangevraagd bij UWV/USZO.

1.5. Bij brief van 30 juli 2002 heeft het hoofd van de afdeling Personeel en Organisatie appellant opgedragen om uiterlijk 2 augustus 2002 de werkzaamheden in de functie van medewerker straatclusters bij RD4 te hervatten. Tevens is hem meegedeeld dat het aanvragen van een second opinion geen opschortende werking heeft en dat, indien hij geen gevolg geeft aan deze dienstopdracht, dit wordt beschouwd als werkweigering en dat gedaagde dan gevraagd zal worden passende maatregelen te treffen, waarbij ontslag niet is uitgesloten. Als gevolg van een adresseringsfout heeft appellant de brief van 30 juli 2002 eerst op 7 augustus 2002 ontvangen.

1.6. Bij brief van 5 augustus 2002 - wegens een adresseringsfout opnieuw op 29 augustus 2002 verzonden - is vastgesteld dat appellant op 2 augustus 2002 zonder opgaaf van reden niet op zijn werk is verschenen en dat passende maatregelen zullen worden getroffen.

1.7. Bij brief van 12 september 2002 heeft UWV/USZO meegedeeld dat op basis van onder meer een arbeidsdeskundig rapport van 6 september 2002 is geconcludeerd dat de functie van medewerker straatclusters bij RD4 passend is voor appellant. Dit standpunt heeft UWV/USZO bij brief van 13 mei 2003 herhaald nadat de arbeidsdeskundige op verzoek van appellant nogmaals een onderzoek op de werkplek van appellant had verricht.

1.8. Nadat aan appellant eerst het voornemen daartoe was kenbaar gemaakt en hem de gelegenheid was gegeven zijn zienswijze daarop te geven, is hem bij besluit van 22 november 2002 met ingang van 16 december 2002 wegens werkweigering disciplinair ontslag verleend op grond van artikel 8:13 van de Collectieve arbeidsvoorwaarden en uitwerkingsovereenkomst.

1.9. Bij het bestreden besluit van 17 juni 2003 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 november 2002 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft appellants beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. Namens appellant is aangevoerd dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Hij heeft zijn werkzaamheden niet hervat, aangezien naar zijn oordeel de functie van medewerker straatclusters bij RD4 geen passende functie voor hem is gezien zijn nek- en schouderklachten. Voorts acht appellant de straf van ontslag onevenredig zwaar. Naar zijn oordeel had gedaagde eerst bij wijze van waarschuwing tot inhouding of opschorting van zijn bezoldiging moeten overgaan.

3.2. Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad is met gedaagde van oordeel dat appellant zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Appellant is, hoewel de bedrijfsarts hem tot tweemaal toe arbeidsgeschikt had geacht, niet terstond op zijn werk verschenen, toen hij op 7 augustus 2002 de brief van 30 juli 2002 had ontvangen, waarin hem de opdracht was gegeven om zijn werk te hervatten. De op 29 augustus 2002 door hem ontvangen brief van 5 augustus 2002, waarin de kwestie nogmaals aan de orde is gesteld, heeft hierin geen verandering gebracht. Ook het deskundigenoordeel van UWV/USZO van 12 september 2002 was voor appellant geen aanleiding om zich op het werk te melden.

4.2. Nu het hier een plaatsing bij wege van detachering betrof met een proefkarakter, mocht redelijkerwijs van appellant verlangd worden dat hij in ieder geval nog eens probeerde om het werk te hervatten.

Weliswaar hebben de behandelend fysiotherapeut en orthopaedisch chirurg in hun brieven van 29 augustus 2002 respectievelijk 8 mei 2003 aangegeven dat appellant ten tijde in geding beperkingen had als gevolg van zijn nek- en schouderklachten, maar anders dan appellant meent kan uit die brieven niet de conclusie worden getrokken dat appellant niet bij machte was te voldoen aan de opdracht te proberen het werk te hervatten.

4.3. Gelet op het vorenstaande kon derhalve van appellant verwacht worden dat hij zijn werk toentertijd hervatte. Appellants weigering daartoe is door gedaagde terecht aangemerkt als plichtsverzuim. Gedaagde was bevoegd appellant ter zake van het plichtsverzuim disciplinair te straffen.

4.4. Resteert de vraag of de aan appellant opgelegde straf van ongevraagd ontslag de hier aan te leggen toetsing aan het beginsel dat geen onevenredigheid mag bestaan tussen het ontslag en de ernst van het handelen of nalaten kan doorstaan.

4.5. Appellant heeft zijn werkzaamheden niet hervat omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat van hem verwacht werd dat hij al het door hem op de clusters aangetroffen vuil diende op te ruimen, dus ook het vuil dat voor hem gezien zijn nek- en schouderklachten te belastend was. Gedaagde heeft gesteld dat met appellant vooraf de mondelinge afspraak was gemaakt dat hij het door hem op de clusters aangetroffen (zwerf)vuil dat voor hem te zwaar was niet behoefde op te ruimen. Appellant heeft dit ten stelligste ontkend. Nu deze afspraak niet is vastgelegd in de brief van 12 juli 2002, waarbij appellant deze werkzaamheden zijn opgedragen, gaat de Raad er vanuit dat appellant niet duidelijk is gemaakt wat van hem bij het vervullen van de functie van medewerker straatcluster precies werd verwacht.

4.6. De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde, door appellant reeds na één opdracht tot werkhervatting met een voornemen tot strafontslag te confronteren, te snel van dit uiterste middel gebruik heeft gemaakt. Gedaagde had eerst nog via een laatste waarschuwing en/of inhouding van bezoldiging moeten trachten appellant tot werkhervatting te bewegen.

Oplegging van de zwaarste straf van ongevraagd ontslag acht de Raad onder die omstandigheden dan ook onevenredig ten opzichte van de verweten gedraging.

5. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. Gedaagde zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellant dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- aan rechtsbijstand en € 9,86 aan reiskosten en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan rechtsbijstand en € 43,16 aan reiskosten, derhalve in totaal € 1.341,02.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van gedaagde van 17 juni 2003;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.341,02, te betalen door gemeente Heerlen;

Bepaalt dat de gemeente Heerlen aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 321,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.C.F. Talman en mr. A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) S. l’Ami.