Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU7810

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2005
Datum publicatie
12-12-2005
Zaaknummer
03/5833 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek van betrokkene tot aanstelling in een functie van leraar, waaraan salarisschaal 12 is verbonden, althans haar dienovereenkomstig te bezoldigen. Bezoldiging leerkracht; normfunctie.

Wetsverwijzingen
Kaderbesluit rechtspositie VO
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5833 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Bestuurscommissie [naam college], te [vestigingsplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 oktober 2003, nr. AWB 02/4357 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

Namens appellante is een reactie op het verweerschrift gegeven en zijn nog nadere stukken ingediend.

Namens gedaagde is desgevraagd bij brief van 23 december 2004 gereageerd op de grief van appellante dat gehandeld is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Voorts zijn nog nadere stukken ingediend.

Het standpunt van appellante is, met het oog op de behandeling ter zitting, nog eens schriftelijk uiteengezet.

Het geding is, gevoegd met twee soortgelijke gedingen, nrs. 04/1849 AW en 04/2938 AW, behandeld ter zitting van 27 oktober 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. G.A.M. Verschuren, werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S. Ideler-Ouwens, advocaat te Woerden en T. Dolleman, werkzaam ten behoeve van gedaagde.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante is sedert eind 1988 werkzaam op het [naam college] als lerares Frans. Zij is aangesteld in de normfunctie van leraar waaraan salarisschaal 10 is verbonden. Appellante pleegt voor meer dan 50% van haar werktijd les te geven aan de hogere klassen van het voortgezet onderwijs, de zogeheten eerstegraadssector.

1.2. Bij besluit van 10 juli 2001, zoals na bezwaar gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 10 oktober 2002, heeft gedaagde het verzoek van appellante afgewezen om haar met ingang van het schooljaar 2001-2002 aan te stellen in een functie van leraar, waaraan salarisschaal 12 is verbonden, althans haar dienovereenkomstig te bezoldigen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit van 10 oktober 2002 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4. Beroepsgrond I: niet juist naleven CAO; geen juiste functiewaardering.

4.1. Het betoog van appellante komt er in de kern op neer dat, aangezien zij in overwegende mate werkzaam pleegt te zijn in de eerstegraadssector, haar feitelijk opgedragen werkzaamheden op grond van toepassing van het systeem van functiewaardering overeenkomen met het niveau van salarisschaal 12, hetgeen inhoudt dat zij ook dienovereenkomstig bezoldigd en benoemd dient te worden. Dat zij is aangesteld in een normfunctie, waaraan salarisschaal 10 is verbonden, is daarbij volgens haar niet doorslaggevend.

4.2. De Raad onderkent dat het hier relevante, op de Wet op het voortgezet onderwijs gebaseerde Kaderbesluit rechtspositie VO van 25 juli 1995 (Stb. 371), zoals nadien gewijzigd (hierna: het Kaderbesluit VO) voorziet in een systeem van functiewaardering. Blijkens artikel 3, tweede lid, van het Kaderbesluit VO worden aard en niveau van de functies voor het personeel van de school bepaald aan de hand van taakkarakteristieken en functietyperingen, die door het bevoegd gezag worden vastgesteld, volgens het door het bevoegd gezag te hanteren functiewaarderingssysteem. Voor het functiewaar-deringssysteem geldt ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Kaderbesluit VO evenwel voor de functie van leraar, waarvan de taakkarakteristiek is opgenomen in bijlage 3 bij dat besluit, als uitgangspunt:

a. schaal 10 voor de functie van leraar werkzaam in de tweedegraadssector;

b. schaal 12 voor de functie van leraar werkzaam in de eerstegraadssector.

Blijkens de in bijlage 3 opgenomen taakkarakteristieken verricht de leraar met de schaal 10-functie de werkzaamheden in overwegende mate in de tweedegraadssector. De leraar met de schaal 12-functie verricht de werkzaamheden voor ten minste 50% op eerstegraadsniveau.

4.3. In aansluiting op artikel 4, eerste lid, van het Kaderbesluit VO is in artikel B3.5 van de als rechtspositieregeling geldende CAO-VO het volgende bepaald:

Voor de functies behorend tot de functiecategorie leraren worden de functies en de daarbij behorende taakkarakteristieken als bedoeld in artikel 4 met de bijbehorende bijlagen van het Kaderbesluit VO vastgesteld als normfuncties.

Voorts is in artikel G1, eerste lid, van de CAO-VO bepaald dat de werknemer, met inachtneming van nadere bepalingen, wordt bezoldigd volgens het bij zijn functie behorende carrièrepatroon. Onder functie wordt, blijkens de begripsomschrijving in de CAO-VO verstaan, het samenstel van werkzaamheden, dat de werknemer krachtens zijn dienstverband moet verrichten, zoals bedoeld in, voorzover hier van belang, artikel B 3.5 van deze CAO.

4.4. Uit vorenvermelde bepalingen, in onderling verband bezien, blijkt naar het oordeel van de Raad dat het systeem van zogeheten normfuncties als leraar in het voortgezet onderwijs inhoudt dat de bezoldiging plaatsvindt overeenkomstig de salarisschaal van de normfunctie waarin de betrokkene is aangesteld, een en ander ongeacht de feitelijk verrichte werkzaamheden.

Dit betekent enerzijds dat met het oog op de vaststelling van de bezoldiging niet telkenjare beoordeeld hoeft te worden op welk niveau de werkzaamheden feitelijk worden verricht. Bepalend is immers de normfunctie. Anderzijds betekent dit dat de betrokken leraar aanspraak kan maken op toedeling van werkzaamheden overeenkomstig de bijbehorende taakkarakeristiek. Appellante, die is aangesteld in een normfunctie met schaal 10, kan derhalve werkzaamheden claimen die in overwegende mate liggen in de tweedegraadssector. Dat appellante, gezien haar academische opleiding, werkzaamheden op het eerstegraadsniveau ambieerde en dat gedaagde haar dienovereenkomstig werkzaamheden toedeelde, heeft dan ook niet tot gevolg dat zij bezoldigd dient te worden naar salarisschaal 12. Die verplichting ontstaat pas wanneer appellante wordt benoemd in een normfunctie, waaraan schaal 12 is verbonden.

4.5. Gezien het vorenstaande heeft gedaagde zich terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde hier van belang de bezoldiging van een leraar in het voortgezet onderwijs die was aangesteld in een normfunctie waaraan salarisschaal 10 was verbonden, mocht plaatsvinden op basis van die normfunctie en niet op basis van de feitelijk verrichte werkzaamheden.

4.6. Voorzover appellante ook in hoger beroep staande houdt dat zij, nu zij in overwegende mate werkzaamheden verricht in de eerstegraadssector, ten onrechte niet is benoemd in een schaal 12-functie merkt de Raad het volgende op. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent de vaststelling van de formatie van leraren, de verhouding tussen schaal 10-functies en schaal 12-functies en de voorrang bij benoeming in een schaal 12-functie voor degenen die daar vanwege de invoering van de Herziening Onderwijssalarisstructuur aanspraak op kunnen maken. Appellante heeft geen zodanig bijzondere omstandigheden aangevoerd dat gedaagde, in afwijking van het door hem gevoerde beleid, gehouden zou zijn appellante in een schaal 12-functie te benoemen.

Het standpunt van gedaagde dat het, uitgaande van de vastgestelde formatie, op zich mogelijk zou zijn om appellante in overwegende mate in te roosteren in de tweedegraadssector, maar dat zulks overeenkomstig haar wens niet is gedaan, acht de Raad alleszins geloofwaardig. Appellante heeft ter zitting immers nog verklaard dat zij, gezien haar academische opleiding, bij voorkeur in de eerstegraadssector werkzaam is.

5. Beroepsgrond II; strijd met het gelijkheidsbeginsel.

5.1. Appellante heeft voorts nog aangevoerd dat zij, vanwege het uitgangspunt dat gelijk werk op gelijke wijze beloond moet worden, op dezelfde wijze bezoldigd moet worden als de leraren die zijn aangesteld in een schaal 12-functie en uit dien hoofde voor meer dan 50% werkzaam zijn in de eerstegraadssector.

5.2. Anders dan appellante heeft betoogd is naar het oordeel van de Raad geen sprake van in rechtens relevant opzicht vergelijkbare gevallen. De door appellante bedoelde leraren zijn immers op grond van hun aanstelling in een schaal 12-functie verplicht voor meer dan 50% werkzaam te zijn in de eerstegraadssector, terwijl voor appellante die verplichting niet geldt.

5.3. Blijkens het gestelde in gedaagdes in rubriek I vermelde brief van 23 december 2004 was de docent met wie appellante zich voorts nog heeft vergeleken, aangesteld ter vervanging van een zieke leraar die een schaal 12-functie vervulde, zodat deze docent ook tijdelijk in schaal 12 werd aangesteld. In zoverre verkeerde deze docent niet in een situatie die gelijk was aan die van appellante, die een eigen functie vervulde. Op het moment dat deze docent een eigen betrekking ging vervullen heeft volgens gedaagde een aanstelling in een schaal 10-functie plaatsgevonden. Naar het oordeel van de Raad is derhalve ook in dit opzicht geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.C.F. Talman en mr. A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van S. l’ Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) S. l’Ami.

HD

07.11

Q