Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU7143

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2005
Datum publicatie
01-12-2005
Zaaknummer
03/6548 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Datum verzending besluit staat niet onomstotelijk vast. Bezwaar tijdig en ontvankelijk. Verzendregistratie.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/6548 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Tweede Kamer der Staten-Generaal als rechtsopvolger van de Gemengde Commissie voor de Stenografische Dienst der Staten-Generaal, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 4 november 2003, nr. AWB 02/895, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Zowel appellant als gedaagde hebben de Raad nog brieven doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 29 september 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. M.C.J. van den Brekel, advocaat te ’s-Gravenhage en drs. J.J.P. Hageman, werkzaam bij de Dienst Verslag en Redactie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Gedaagde, werkzaam als [naam functie] bij de toenmalige [naam dienst], was sedert 6 januari 1999 arbeidsongeschikt vanwege diverse klachten. Zij heeft in februari 2001 aan de rechtsvoorganger van appellant, de Gemengde Commissie voor de [naam gemengde commissie] (hierna: de Gemengde Commissie) gevraagd haar een aanvulling op haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering te verstrekken, omdat haar ziekte in overwegende mate werd veroorzaakt door een door haar werk veroorzaakte beroepsziekte, te weten RSI. Tevens is verzocht een schadevergoeding te verstrekken wegens het niet in acht nemen door de Gemengde Commissie van de op haar als bevoegd gezag rustende zorgplicht.

1.2. Bij besluit gedateerd 18 juni 2001 zijn deze verzoeken afgewezen, waartegen namens gedaagde op 4 september 2001 bezwaar is gemaakt. Bij besluit van 5 juli 2002 heeft de Gemengde Commissie, voorzover hier van belang, dat bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voorzover hier van belang, het besluit van 5 juli 2002 vernietigd, voorzover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 18 juni 2001 niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen, kort gezegd, dat niet onomstotelijk is komen vast te staan wanneer het besluit van 18 juni 2001 daadwerkelijk is gepost, zodat appellant niet genoegzaam heeft aangetoond dat het besluit van 18 juni 2001 dezelfde dag is verzonden. De rechtbank heeft voorts overwogen dat, nu de gemachtigde van gedaagde op 4 september 2001 van het besluit kennis heeft genomen, het besluit geacht wordt uiterlijk op 3 september 2001 te zijn verzonden, zodat het op 4 september 2001 ingediende bezwaar tijdig is.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellant heeft de Raad op 29 september 2005 nog nadere stukken doen toekomen, met het verzoek deze bij het geding te betrekken. Nu de gemachtigde van gedaagde daartegen bezwaar heeft gemaakt en deze stukken met overschrijding van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn zijn ingediend, zal de Raad deze stukken buiten beschouwing laten.

3.2. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, in samenhang met artikel 3:41 van de Awb vangt de bezwaartermijn aan op de dag na die waarop het besluit is verzonden dan wel uitgereikt. Aangezien het besluit van 18 juni 2001 niet aan gedaagde is uitgereikt of aangetekend dan wel met bericht van ontvangst is verzonden, zal appellant op genoegzame wijze aannemelijk dienen te maken wanneer de verzending ervan heeft plaatsgevonden.

3.3. Appellant heeft betoogd dat, aangezien de brief op 18 juni 2001 is gedateerd, welke datum overeenkomt met de datum die voorkomt in een vanwege appellant bijgehouden register, de verzending ervan op die dag nagenoeg vaststaat. Volgens appellant wordt de dagtekening van de brief, met een aan de brief toegekend nummer, bijgehouden in bedoeld register, en staat de managementassistente van het betrokken diensthoofd garant voor het feit dat de brief dezelfde dag ter verzending wordt aangeboden. Wanneer het diensthoofd de betrokken brief onverhoopt één of enkele dagen na de dagtekening van de brief zou hebben ondertekend, vindt volgens appellant geen verzending plaats, maar wordt de brief opnieuw gedagtekend, wordt de datum van verzending in het register aangepast en wordt de brief opnieuw ter tekening aangeboden.

3.4. De Raad ziet in de hiervoor geschetste algemene gang van zaken met betrekking tot de verzending van post, mede gelet op het weinig efficiënte karakter ervan, niet zodanige waarborgen voor een betrouwbare vastlegging van de verzenddatum dat op grond daarvan met voldoende waarschijnlijk kan worden aangenomen dat de in geding zijnde brief daadwerkelijk op

18 juni 2001 is verzonden. In dit verband is van belang dat gedaagde in ieder geval één voorbeeld van een brief heeft laten zien - de Raad doelt hierbij op de ter zitting besproken brief, gedagtekend 10 april 2000 - waarvan ook appellant heeft erkend dat de datum van dagtekening niet overeenkomt met de datum die is vermeld in het register. Voorts heeft appellant ter zitting geen verklaring kunnen geven voor het feit dat de beslissing op bezwaar is gedagtekend 5 juli 2002, hetgeen volgens de visie van appellant zou betekenen dat de brief op die datum is verzonden, terwijl aan de voet van iedere bladzijde van dat besluit de datum 9 juli 2002 is vermeld.

3.5. Verder is volgens de Raad niet uit te sluiten dat vertraging kan optreden tussen het moment van deponeren van de envelop, met daarin het besluit, in een intern postvak ter expeditie naar de postkamer van de Tweede Kamer en het moment waarop de envelop, na frankering op de postkamer, ter verzending aan TGP Post wordt aangeboden. De Raad wijst er daarbij op dat op de postkamer geen verzendregister wordt bijgehouden.

3.6. Gezien vorenvermelde omstandigheden, in onderling verband bezien, onderschrijft de Raad de conclusie van de rechtbank dat appellant niet op genoegzame wijze aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit daadwerkelijk op 18 juni 2001 is verzonden.

3.7. Voor de bepaling van de datum van verzending is verder van belang dat de toenmalige gemachtigde van gedaagde heeft gesteld dat zij het besluit van 18 juni 2001 eerst op 4 september 2001 heeft ontvangen en op dezelfde dag daartegen bezwaar heeft gemaakt. De Raad acht deze van meet af aan betrokken stelling niet bij voorbaat ongeloofwaardig, nu uit andere correspondentie die in de zomer van 2001 omtrent gedaagde is gevoerd niet is af te leiden dat de gemachtigde van het betrokken besluit op de hoogte was, terwijl voorts gedaagde zelf ter zitting heeft verklaard dat zij op 4 september 2001 door haar gemachtigde werd gebeld met de mededeling dat zij die dag een op 18 juni 2001 gedateerd afwijzend besluit van de Gemengde Commissie had ontvangen. Anders dan appellant heeft betoogd is de Raad van oordeel dat het feit dat de envelop, waarin het besluit werd verzonden, niet meer voorhanden is, in de gegeven omstandigheden niet tot een ander oordeel moet leiden.

3.8. Gelet op het vorenoverwogene gaat de Raad ervan uit dat het besluit van 18 juni 2001 op of kort voor 3 september 2001 is verzonden, zodat het bezwaar dat op 4 september 2001 is ingediend, tijdig is gemaakt. Hieruit volgt dat de uitspraak van de rechtbank, voorzover in hoger beroep aangevochten, met aanvulling van gronden dient te worden bevestigd.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- wegens rechtsbijstand en € 25,56 wegens reiskosten, derhalve in totaal € 669,56.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van € 669,56, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht van € 414,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.