Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU6977

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2005
Datum publicatie
01-12-2005
Zaaknummer
04/1402 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wetenschappelijk medewerker. Reorganisatie. In nieuwe functie nieuwe werkinstructies, die voor betrokkene niet acceptabel zijn. Mediation. In verband met ongeschiktheid voor functie ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1402 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Fryslân, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift en nader ingediende stukken aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 februari 2004, nr. 03/1169 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 29 september 2005, waar appellant in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.T. Zwart, werkzaam bij de politieregio Fryslân.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, laatstelijk aangesteld als wetenschappelijk medewerker, heeft vanaf 1999 in het kader van een reorganisatie de functie van coördinator vervuld bij de afdeling Planning, Control, Onderzoek en Ontwikkeling van de politieregio Fryslân. In 2000 heeft appellant binnen overlegstructuren waar hij deel van uitmaakte nota’s verspreid, waarin hij onder meer kritische kanttekeningen heeft geplaatst bij de (veranderings)processen en het optreden van zijn direct leidinggevende L. Dit heeft ertoe geleid dat L in november 2000 aan appellant aanwijzingen heeft opgelegd, die erop neerkwamen dat L afschriften zou ontvangen van alle uitgaande stukken van appellant en dat stukken waarin appellant zijn mening over het functioneren van de organisatie neerlegde niet zouden worden verstuurd voordat L deze had geaccordeerd. Appellant heeft zich daarna ziekgemeld en heeft aangegeven zich niet te kunnen verenigen met deze communicatiebeperking. Een bemiddelingspoging met behulp van een extern bureau heeft het meningsverschil tussen partijen niet kunnen wegnemen en is begin 2001 gestrand. Medio januari 2001 is appellant arbeidsgeschikt verklaard, maar appellant heeft zijn werkzaamheden niet hervat omdat hij eerst excuses en intrekking van de instructie verlangde.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 19 juli 2001 heeft gedaagde de communicatiebeperking ingetrokken, doch aangegeven dat appellant wel onjuist heeft gehandeld en dat na nader overleg gekomen moet worden tot een minder vergaande instructie dan wel tot goede werkafspraken. De Raad heeft bij uitspraak van 12 februari 2004 (LJN: AO3764) geoordeeld dat het standpunt van gedaagde dat appellant onjuist heeft gehandeld slechts kan worden opgevat als een normaal sturingsmiddel in de interne verhoudingen dat de vrijheid van meningsuiting niet raakt en dat niet vatbaar is voor bezwaar en beroep.

1.3. In het najaar van 2001 is een mediationtraject ingezet, dat niet tot een oplossing heeft geleid. In een gesprek op 28 februari 2002 tussen appellant en zijn nieuwe leidinggevende H heeft appellant aangegeven geen oplossing te zien in terugkeer naar de organisatie en alleen te willen praten over een afvloeiingsregeling. Nadat gedaagde nog eens uitdrukkelijk kenbaar had gemaakt dat de communicatiebeperking niet meer gold, heeft appellant zich in een gesprek eind mei 2002 bereid getoond om onder door hem te stellen voorwaarden terug te keren op de werkvloer. Deze voorwaarden heeft appellant bij brief van 2 juni 2002 kenbaar gemaakt, te weten: gedaagde erkent ondubbelzinnig onrechtmatig en onzorgvuldig te hebben gehandeld; gedaagde erkent dat appellant niets kan worden verweten; gedaagde erkent dat appellant bij de uitoefening van zijn werkzaamheden als wetenschappelijk medewerker beroepsmatige vrijheid geniet; appellant mag aan de bel mag trekken als hij van mening is dat anderen binnen de organisatie onrechtvaardig worden behandeld; gedaagde biedt appellant op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze excuses aan voor de beledigende uitspraken jegens hem; appellant wordt gerehabiliteerd middels een interview met hem in het Korpsblad; aan appellant wordt ten behoeve van zijn opleiding vertaler Duits 12 uren studieverlof per week verleend, met behoud van volledig salaris en vakantiedagen en met vergoeding van studiekosten; appellant kan na afronding van die studie in september 2004 beëindiging van de arbeidsrelatie afdwingen op de grond van onverenigbaarheid van karakters en met een afvloeiingsregel gelijk aan 30 maandsalarissen.

Gedaagde heeft in zijn brief van 1 juli 2002 aangegeven dat de instructie is ingetrokken, dat meer dan eens kenbaar is gemaakt dat appellant welkom is en dat geen sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Volgens gedaagde is het merendeel van de voorwaarden niet acceptabel te achten en heeft hij appellant verzocht om voor 10 juli 2002 aan te geven dat hij terugkeert en akkoord gaat met de afwijzing van het merendeel van die voorwaarden. Appellant heeft daar niet mee ingestemd en gelijktijdig aangestuurd op vertrek met een afvloeiingsregeling.

2. Bij brief van 9 september 2002 heeft gedaagde zijn voornemen tot ontslag aan appellant kenbaar gemaakt. Nadat appellant zijn zienswijze had gegeven, heeft gedaagde appellant bij besluit van 8 oktober 2002 per 7 november 2002 ontslag verleend op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp) wegens ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan wegens ziekte of gebrek. Het bezwaar van appellant tegen laatstgenoemd besluit is bij het thans in geding zijnde besluit van 13 oktober 2003 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het onvermogen van appellant om te werken bij de politieregio Fryslân met name het gevolg is van het zich niet los kunnen maken van de kwestie omtrent de instructie van 15 november 2000 en daarmee mede heeft geleid tot zijn niet coöperatieve houding ten opzichte van het meewerken en meedenken aan werkhervatting. Door dit onvermogen heeft appellant ervan blijk gegeven ongeschikt te zijn voor zijn functie.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Eerst dient de vraag te worden beantwoord of bij appellant sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad moet de ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

4.2. Met de rechtbank en op de door de rechtbank daaraan ten grondslag gelegde overwegingen is de Raad van oordeel dat appellant zich niet kon losmaken van het verleden en dat zijn opstelling eraan in de weg heeft gestaan om werkhervatting een reële kans te geven. De voorwaarden die appellant heeft gesteld op het moment dat hij bereidheid toonde weer terug te keren naar de werkvloer, hadden grotendeels betrekking op genoegdoening vanwege de inmiddels ingetrokken communicatiebeperking en het inbouwen van vergaande zekerheden dienaangaande voor de toekomst. Appellant heeft daarmee blijk gegeven vast te blijven zitten in het verleden en niet met een open vizier de toekomst tegemoet te kunnen treden. Van appellant kon worden verlangd, nu gedaagde nog eens uitdrukkelijk had meegedeeld geen verdergaande communicatiebeperking te zullen opleggen en voorts een nieuwe leidinggevende was aangetreden, dat hij zijn werkzaamheden zonder het merendeel van de door hem gestelde voorwaarden zou hervatten. Gedaagde heeft het merendeel van die voorwaarden naar het oordeel van de Raad terecht onacceptabel geacht en zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant niet beschikt over eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van zijn functie vereist zijn, zodat gedaagde bevoegd was appellant op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Barp ontslag te verlenen.

4.3. De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Ook overigens ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.