Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU6874

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2005
Datum publicatie
28-11-2005
Zaaknummer
05 - 208 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Blijvend psychishe invaliditeit als gevolg van oorlogsgeweld. Toekenning toeslag artikel 19 WUBO. Is ingangsdatum juist?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E LV O U D I G E K A M E R

05/208 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 29 december 2004, kenmerk JZ/U60/2004, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser op de in het beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 september 2005, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

In september 2001 heeft eiser, die is geboren in 1935, bij verweerster een aanvraag ingediend om krachtens de Wet te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering.

Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 25 maart 2002, zoals na bezwaar gewijzigd bij besluit van

18 december 2002, op de grond dat weliswaar voldoende aannemelijk is geworden dat eiser direct betrokken is geweest bij het bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940 en dat eiser derhalve getroffen is door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van de Wet, maar dat ten aanzien van eiser niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van het ondervonden oorlogsgeweld, leidend tot blijvende invaliditeit.

Dit oordeel heeft verweerster destijds ontleend aan een advies van haar geneeskundig adviseur, dat onder meer berustte op een onderzoek door de arts J.H. Husken. Deze arts was tot de conclusie gekomen dat er bij eiser weliswaar sprake was van psychische klachten, maar dat duidelijke PTSD-perikelen daarbij niet aan de orde waren en de oorlogservaringen bij het meegemaakte bombardement van Rotterdam in het gehele beeld slechts op zeer ondergeschikte wijze aanwezig waren.

Het door eiser tegen dit besluit bij de Raad ingestelde beroep heeft de Raad bij uitspraak van 29 december 2003,

nr. 03/226 WUBO, ongegrond verklaard.

In juni 2004 heeft eiser zich wederom tot verweerster gewend met een aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en om in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Hij heeft daarbij aangegeven zich inmiddels onder behandeling te hebben gesteld bij De Schalm mede omdat de bij hem aanwezige oorlogsgerelateerde klachten verergerd waren. Eiser heeft daarbij een schrijven van juni 2004 overgelegd van een aan de Schalm verbonden psychotherapeut en psychiater waarin wordt vermeld dat er bij eiser onder meer sprake is van PTSS klachten.

Bij besluit van 29 oktober 2004, zoals gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster, op advies van haar geneeskundig adviseur, aanvaard dat er bij eiser sprake is van blijvende psychische invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld en hem met ingang van 1 juni 2004 onder meer de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet toegekend.

In beroep tegen het thans bestreden besluit heeft eiser aangevoerd dat de ingangsdatum van de genoemde toekenning ten onrechte niet is bepaald naar het tijdstip van indiening van de eerdere aanvraag in september 2001.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

In artikel 40, eerste lid, van de Wet is, voor zover van belang, bepaald dat de uitkering en de toeslag ingaan op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is ingediend.

In aanmerking genomen dat het bovengenoemde besluit van verweerster van 18 december 2002 door de uitspraak van de Raad van 29 december 2003 tussen partijen rechtens verbindend is geworden, staat hier voorop dat de aan dat besluit ten grondslag liggende aanvraag van september 2001 als afgedaan moet worden beschouwd.

Dat betekent dat voor de toepassing van artikel 40, eerste lid, van de Wet de aanvraag van juni 2004 het uitgangspunt is.

Ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Wet is verweerster evenwel bevoegd om in het voordeel van de betrokkene af te wijken van het bepaalde in het eerste lid indien, rekening houdend met alle omstandigheden, een dergelijke afwijking in een individueel geval noodzakelijk wordt geacht.

Deze bevoegdheid is van discretionaire aard.

Dat brengt mee dat de Raad heeft na te gaan of van verweerster moet worden gezegd dat zij in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten van haar bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel bij haar besluit heeft gehandeld in strijd met enig geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel enig algemeen rechtsbeginsel.

De Raad is tot zodanige conclusie niet kunnen komen.

Daartoe laat de Raad in de eerste plaats wegen dat bij de hernieuwde aanvraag van eiser sprake is van toegenomen klachten.

De Raad heeft voorts niet kunnen vaststellen dat de afwijzing van de eerdere aanvraag van eiser op evident onjuiste gronden heeft berust. Uit het thans aan het advies van de geneeskundig adviseur mede ten grondslag liggende rapport van een geneeskundig onderzoek, dat in oktober 2004 is verricht door de arts J. Hansma, komt als essentieel verschil met hetgeen destijds door de arts J.H. Husken over eiser in 2002 werd vermeld naar voren, dat door eiser nu zelf veel meer accent wordt gelegd op de oorlogservaringen, in het bijzonder het bombardement op Rotterdam, als oorzaak van de klachten en dat de nu door hem genoemde verschijnselen het beeld geven van kenmerken van een post traumatisch stress syndroom.

Volgens de geneeskundig adviseur is het eerder in 2002 (abusievelijk heeft hij 2001 vermeld) uitgebrachte medisch advies op goede gronden tot stand is gekomen.

Gelet op het vorenstaande, acht de Raad onvoldoende grond aanwezig om af te wijken van de in artikel 40, eerste lid, van de Wet neergelegde regel dat de toeslag ingaat op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is ingediend.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.