Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU6846

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2005
Datum publicatie
24-11-2005
Zaaknummer
05-4288 AW-VV + 05-4289 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Geen sprake (meer) van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4288 AW-VV

05/4289 AW-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in de gedingen tussen:

het College van Burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verzoeker,

en

[gedaagde 1], wonende te [woonplaats], gedaagde 1,

[gedaagde 2], wonende te [woonplaats 2], gedaagde 2.

I. INLEIDING

Namens verzoeker is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 mei 2005, nrs. AWB 04/1207 AW en AWB 04/1483 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Verzoeker heeft tevens verzocht om met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen ertoe strekkende dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 13 september 2005. Verzoeker heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. M.H. de Wit, werkzaam bij de Bestuursdienst van de gemeente Amsterdam. Gedaagde 1 is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.G. Sol, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp. Gedaagde 2 is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Degelink, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningen-rechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 17 mei 1991 is gedaagde 1, onder verwijzing naar de brief van de directeur van de Bouw- en Woningdienst Amsterdam van 31 oktober 1990, met ingang van 1 juli 1991 wegens opheffing van zijn betrekking ontslag uit de gemeentedienst verleend. Bij besluit van 16 maart 1990 is gedaagde 2, onder verwijzing naar de brief van de directeur van de Bouw- en Woningdienst Amsterdam van 10 januari 1990, met ingang van 1 januari 1991 wegens opheffing van zijn betrekking ontslag uit de gemeentedienst verleend. Bij deze besluiten is bepaald dat het ontslag gedaagden aanspraak geeft op wachtgeld krachtens de Wachtgeldverordening.

1.2. Aan gedaagden is wachtgeld toegekend van 1 mei 1991 tot 1 april 2003. Bij besluit van 17 april 2003 is aan gedaagde 1 verlengd wachtgeld toegekend van 1 april 2003 tot 1 maart 2014. De hoogte van de uitkering is daarbij bepaald op 50,00% gedurende de periode van 1 april 2003 tot 1 april 2004 en 40,08% gedurende de periode van 1 april 2004 tot 1 maart 2014. Bij besluit van eveneens 17 april 2003 is aan gedaagde 2 verlengd wachtgeld toegekend van 1 april 2003 tot 1 maart 2014. De hoogte van de uitkering is daarbij bepaald op 50,00% gedurende de periode van 1 april 2003 tot 1 april 2004 en 42,58% gedurende de periode van 1 april 2004 tot 1 maart 2014.

1.3. Het door gedaagden tegen het besluit van 17 april 2003 gemaakte bezwaar is bij separate besluiten van 24 februari 2004 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van gedaagden tegen de besluiten van 24 februari 2004 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat verzoeker nieuwe besluiten op de bezwaren van gedaagden neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat in de ontslagbesluiten waarbij aan gedaagden aanspraak is verleend op wachtgeld krachtens de Wachtgeldverordening, geen uitkeringspercentages zijn genoemd. Voorts heeft de rechtbank, onder meer, geoordeeld dat als voldoende vaststaand kan worden aangenomen dat gedaagden een integrale regeling is aangeboden met betrekking tot het eventueel uit te keren verlengde wachtgeld met een hoger percentage dan in de Wachtgeldverordening zelf wordt genoemd. Gedaagden mochten er op vertrouwen dat het besluit tot ontslag en de toekenning van het wachtgeld overeenkomstig het totale pakket aan maatregelen was genomen, ook al is in de betreffende besluiten het verhoogde percentage in de verlengde wachtgeldregeling niet met zoveel woorden opgenomen. De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat verzoeker gebonden is aan de met gedaagden besproken wachtgeldregeling.

3. Ten betoge van zijn spoedeisend belang bij schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak heeft verzoeker aangevoerd dat hij op grond van de aangevallen uitspraak genoodzaakt is met inachtneming van die uitspraak nieuwe beslissingen op de bezwaren te nemen die inhouden dat hij voor gedaagden met terugwerkende kracht een hoger percentage aan verlengd wachtgeld zou moeten betalen. Gelet op zijn financiële belangen acht verzoeker dit niet wenselijk. Verzoeker gaat er daarbij van uit dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure geen stand zal houden en dat gedaagden niet in staat zullen zijn de uitgekeerde bedragen te restitueren.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Ter zitting hebben gedaagden medegedeeld dat zij er niet bij verzoeker op zullen aandringen thans uitvoering te geven aan de opdracht van de rechtbank om nieuwe besluiten op de bezwaren te nemen. Zij geven er de voorkeur aan de uitspraak van de Raad in de bodemprocedure af te wachten.

4.3. In reactie op de mededelingen van gedaagden heeft verzoeker ter zitting gesteld dat hij, desalniettemin, een uitspraak van de voorzieningenrechter op prijs zou stellen.

4.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker als gevolg van de opstelling van gedaagden in de positie is die hij met zijn verzoek om een voorlopige voorziening wenst te bereiken, namelijk dat hij met het nemen van nieuwe besluiten op bezwaar kan wachten totdat de Raad op het hoger beroep heeft beslist. Daarmee is er geen sprake (meer) van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

4.5. Gelet op het vorenstaande moet het verzoek worden afgewezen.

5. De voorzieningenrechter ziet tot slot aanleiding verzoeker te veroordelen in de proceskosten van gedaagden in de onderhavige gedingen, begroot op € 322,- aan kosten van rechtsbijstand voor elk van beide gedaagden en € 24,26 aan reiskosten van gedaagde 1 en € 25,56 aan reiskosten van gedaagde 2, derhalve in totaal € 346,26 voor gedaagde 1 en € 347,56 voor gedaagde 2.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van gedaagde 1 tot een bedrag van

€ 346,26 en van gedaagde 2 tot een bedrag van € 347,56, te betalen door de gemeente Amsterdam.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 september 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) L.N. Nijhuis.

RW149