Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU6723

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2005
Datum publicatie
24-11-2005
Zaaknummer
04/4394 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep van betrokkene dat nadrukkelijk betrekking heeft op vakantie voor het jaar 2003 moet niet-ontvankelijk verklaard worden, omdat het bestreden besluit hierop geen betrekking heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4394 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 30 juni 2004, kenmerk JZ/I/70/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiser uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. In het beroepschrift met bijlagen, zoals aangevuld bij schrijven van 12 januari 2005, heeft eiser aangegeven waarom hij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen. Bij schrijven van 6 september 2005 heeft eiser een nadere toelichting op zijn beroep ingestuurd.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 september 2005. Aldaar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1926, is erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. In dat verband is aanvaard dat de bij eiser bestaande psychische klachten en zijn gehoorklachten in het door de Wet gevorderde verband staan met zijn oorlogservaringen. Ten aanzien van zijn longklachten en rugklachten is een dergelijk verband niet aanvaard. Bij besluit van verweerster van 27 juni 2002 is aan eiser op grond van artikel 32 van de Wet een vergoeding toegekend van de kosten van een extra vakantie voor één persoon in het jaar 2002.

Eiser heeft op 30 juli 2003 bij verweerster wederom een aanvraag ingediend voor extra vakantie, naar door hem is vermeld op het aanvraagformulier “net als in 2002”. Naar blijkt uit een door eiser op 17 januari 2004 aan verweerster verzonden brief had voornoemd verzoek betrekking op vakantie in het jaar 2003. In laatstgenoemd schrijven heeft eiser tevens melding gemaakt van het feit dat hij wegens een operatie in het ziekenhuis is opgenomen geweest, in verband waarmee hij voor 2004 eveneens verzoekt om een vergoeding van extra vakantie.

Bij besluit van verweerster van 19 maart 2004 is aan eiser op grond van artikel 32 van de Wet een vergoeding toegekend van de kosten van extra vakantie in 2004. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en aangevoerd dat op zijn aanvraag om vergoeding van extra vakantie in 2003 niet is beslist. Dit bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat een extra vakantie voor het jaar 2003 aan eiser bij het besluit van 19 maart 2004 is toegekend en dat het niet ter zake doet of eiser de kosten in 2003 of in 2004 heeft gemaakt.

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen.

De Raad overweegt als volgt.

Naar blijkt uit verweersters besluit van 19 maart 2004 is aan eiser bij dat besluit een vergoeding toegekend van de kosten van extra vakantie voor het jaar 2004. Uit de aan dit besluit ten grondslag liggende medische advisering komt naar voren dat uitsluitend is beoordeeld of voor eiser een medische noodzaak bestond voor extra vakantie na zijn ziekenhuisopname in december 2003 en de in verband daarmee noodzakelijke reconvalescentie. Dit medische advies is gebaseerd op een bij eiser in verband met een aanvraag betrekking hebbende op de aanschaf van een auto op 23 februari 2004 verricht medisch onderzoek. Noch uit het medische advies, noch uit het verslag van voornoemd medisch onderzoek ziet de Raad naar voren komen dat daarbij tevens is beoordeeld of eiser in 2003 op medische of medisch-sociale gronden in aanmerking zou kunnen komen voor de door hem op 30 juli 2003 gevraagde voorziening van de kosten van extra vakantie.

Naar het oordeel van de Raad is deze omissie in de bezwaarfase niet hersteld en dient te worden vastgesteld dat in het thans bestreden besluit geen beslissing van verweerster voorligt met betrekking tot eisers aanspraken op extra vakantie in het jaar 2003. Verweerster dient naar het oordeel van de Raad daaromtrent alsnog een besluit te nemen.

Het voorgaande betekent dat het beroep van eiser dat nadrukkelijk betrekking heeft op vakantie voor het jaar 2003 niet-ontvankelijk verklaard moet worden, omdat het bestreden besluit hierop geen betrekking heeft.

Aangezien de onderhavige procedure is voortgekomen uit de onjuiste handelwijze van verweerster ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 35,- wordt vergoed. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.