Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU5776

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2005
Datum publicatie
08-11-2005
Zaaknummer
04/1571 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Salarisverhoging werkt niet door in de grondslag voor berekening wachtgeld.

Wetsverwijzingen
Rijkswachtgeldbesluit 1959 4
Rijkswachtgeldbesluit 1959 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1571 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 maart 2004, nr. AWB 03/69, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft ter verweer verwezen naar de aangevallen uitspraak.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 september 2005, waar appellant in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich, daartoe opgeroepen bij gemachtigde, laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam bij het [naam Centrum]. Ingaande 1 januari 1993 is appellant uit zijn functie bij dit Centrum ontslagen met toepassing van artikel 99, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

1.2. Bij besluit van 4 februari 1993 is hem met toepassing van artikel 99, tweede lid, van het ARAR voor de periode van 1 januari 1993 tot 1 mei 2009 een uitkering overeenkomstig het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb 1959) toegekend, met dien verstande echter dat de hoogte van de uitkering, uitgaande van de laatstelijk door hem genoten bezoldiging, voor de periode van 1 januari 1993 tot 1 april 1993 op 90% en voor de periode van 1 april 1993 tot 1 mei 2009 op 80% is bepaald.

1.3. Bij brief van 19 december 2001 heeft appellant gedaagde medegedeeld dat bij de berekening van zijn wachtgeld voor het maximum van schaal 11, dat als grondslag voor deze berekening geldt, van een te laag bedrag wordt uitgegaan. Hij heeft daarbij verzocht dit te corrigeren.

Daarnaast heeft appellant gedaagde informatie gevraagd over kortingen op zijn wachtgeld in verband met door hem vanaf 15 mei 2001 verkregen neveninkomsten.

1.4. Bij brief van 26 juni 2002 heeft gedaagde appellant onder meer specificaties verstrekt van een herberekening van zijn wachtgeld over de periode van 15 mei 2001 tot 1 oktober 2001 en (impliciet) geweigerd tot een correctie over te gaan als door appellant bij zijn brief van 19 december 2001 verzocht.

Bij het bestreden besluit van 7 januari 2003 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 juni 2002 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep de volgende grieven naar voren gebracht.

A) Het bezwaarschrift is tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank alsnog gegrond verklaard voorzover dit de korting op zijn wachtgeld over de periode van 15 mei 2001 tot en met september 2001 betreft, zodat de rechtbank zijn beroep voor dit deel niet-ontvankelijk had moeten verklaren en gedaagde had moeten veroordelen tot vergoeding van de reiskosten die hij heeft gemaakt om op de zitting van de rechtbank te kunnen verschijnen, alsmede van het griffierecht.

B) Ten onrechte heeft gedaagde waar het gaat om de grondslag voor de berekening van zijn wachtgeld niet in aanmerking genomen dat het maximum salaris volgens schaal 11 per 1 januari 1998 is verhoogd, op welke verhoging hij reeds in zijn onder 1.3. vermelde verzoek van 19 december 2001 het oog had.

4. De Raad overweegt met betrekking tot deze grieven het volgende.

Grief A

4.1.1. Uit het door appellant bij de rechtbank ingediende beroepschrift van 10 januari 2003 blijkt duidelijk dat het beroep geen betrekking had op de korting op zijn wachtgeld in verband met neveninkomsten over de periode van mei tot en met augustus 2001 maar alleen op de korting over september 2001. Voorts heeft appellant, naar door hem ter zitting is bevestigd, bij brief van 16 januari 2004 zijn beroep ten aanzien van de korting over september 2001 ingetrokken, omdat hij van gedaagde bericht had ontvangen dat het kortingsbedrag hem alsnog zou worden uitbetaald.

4.1.2. Uit het vorenstaande volgt dat de korting op het wachtgeld ten tijde van de aangevallen uitspraak geen deel (meer) uitmaakte van het door de rechtbank te beslechten geschil. Voor een niet-ontvankelijkverklaring op dit punt was derhalve geen plaats.

Evenmin was plaats voor een veroordeling van gedaagde tot vergoeding van de door appellant bedoelde reiskosten, reeds omdat hij zijn beroep betreffende de korting over september 2001 al vóór de zitting van de rechtbank had ingetrokken, zodat deze korting aldaar niet meer ter behandeling stond.

Voorts heeft de rechtbank terecht niet bepaald dat het door appellant betaalde griffierecht aan hem moest worden vergoed. Weliswaar heeft gedaagde zich bij besluit van 29 april 2003 nader op het standpunt gesteld dat te veel aan appellant betaald wachtgeld ten onrechte van hem was teruggevorderd omdat hij niet redelijkerwijs heeft kunnen weten dat hij te veel wachtgeld ontving maar daarmede is gedaagde niet teruggekomen van enig onderdeel van het hier aanvankelijk bestreden besluit. Dit besluit ziet immers niet op terugvordering maar op vaststelling van de aanspraken als zodanig van appellant op wachtgeld. Terzake daarvan is gedaagde niet tot een ander standpunt gekomen.

Grief B

4.2.1. In artikel I van het koninklijk besluit van 17 december 1997 (Stb.1998, 3), is ter formalisering van de salarismaatregelen per 1 januari 1998 uit de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1997-1999 een gedifferentieerde salarisverhoging per 1 januari 1998 ingevoerd. Gedaagde heeft deze salarisverhoging buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van de grondslag voor de berekening van het appellant toekomende wachtgeld. Uit het onder 1.3. vermelde verzoek van appellant van 19 december 2001 blijkt dat hij het hiermee niet eens is. Naar zijn mening dient bedoelde grondslag met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1998 te worden gecorrigeerd, omdat ten aanzien van zijn uitkering het maximum van schaal 11 als grondslag was gegarandeerd. Nu gedaagde al in 1998 het besluit had genomen bedoelde salarisverhoging niet in het wachtgeld te laten doorwerken, waartegen appellant indertijd geen bezwaar heeft gemaakt, betreft het verzoek van appellant het terugkomen door gedaagde van een eerder ambtshalve genomen besluit.

4.2.2. De Raad toetst de afwijzing van een dergelijk verzoek terughoudend, door het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen. In gevallen als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, is het voorts aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (CRvB 1 februari 2001, LJN AB0250, TAR 2001, 43). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna, moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Bij een duuraanspraak zal het in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

4.2.3. In het licht van het vorenstaande zal de Raad allereerst beoordelen of gedaagde grond had behoren te zien om voor het tijdvak na de indiening van het verzoek van appellant een correctie aan te brengen als door deze verlangd.

Bij deze beoordeling stelt de Raad voorop dat de door appellant bij zijn ontslag verkregen uitkeringsregeling de overeenkomstige toepassing van het Rwb 1959 inhield, met als afwijking uitsluitend een hoger uitkeringspercentage. Dit brengt mee dat de berekening van het wachtgeld van appellant is onderworpen aan latere wijzigingen van het Rwb 1959; op dit punt is, anders dan appellant kennelijk meent, immers geen zogeheten garantie op de bestaande regeling gegeven.

In artikel 4, zesde lid, van het Rwb 1959 is sedert 17 december 1993 bepaald dat de bezoldiging, als grondslag voor de berekening van het wachtgeld, wordt aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris en van de vakantie-uitkering van het burgerlijk rijkspersoneel, met ingang van de dag waarop die wijziging van kracht wordt.

4.2.4. In artikel IV van het onder 4.2.1. genoemde koninklijk besluit van 17 december 1997 is bepaald dat de bij de onderdelen A, C en D van artikel II aangebrachte wijzigingen in de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel een algemeen karakter dragen. Blijkens de Nota van toelichting is hiermee onder meer beoogd aan te geven dat de in artikel I van het koninklijk besluit vervatte gedifferentieerde wijziging per 1 januari 1998 niet doorwerkt naar uitkeringen zoals wachtgelden. Aldus is het bepaalde in artikel 4, zesde lid, van het Rwb 1959 voor de onderhavige salarismaatregel nader geconcretiseerd. Onder deze omstandigheden was er geen wettelijke basis voor doorwerking van de salarisverhoging per 1 januari 1998 in de grondslag voor de berekening van het wachtgeld van appellant.

4.2.5. Het vorenstaande betekent tevens dat niet valt in te zien dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van het oorspronkelijke besluit terug te komen wat betreft het tijdvak voorafgaande aan de indiening van het verzoek.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) S. l’Ami.

HD

17.10