Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU5549

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2005
Datum publicatie
03-11-2005
Zaaknummer
04/3587 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestaat voor betrokkene een medische noodzaak als bedoeld in artikel 20 van de WUV bestaat voor de namens hem aangevraagde voorziening in de kosten van twee maal per jaar een vliegreis naar Israël met begeleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3587 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[curator], wonende te [woonplaats] (Israël), in zijn hoedanigheid van curator van [betrokkene], wonende te [woonplaats 2], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 24 mei 2004, kenmerk JZ/R70/2004/0333, heeft verweerster ten aanzien van [betrokkene] uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

1940-1945, hierna: de Wet.

Tegen dit besluit is bij de Raad beroep ingesteld door mr. E. Unger, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde. In een aanvullend beroepschrift zijn de gronden aangevoerd waarop het beroep steunt.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 september 2005. Aldaar is eiser verschenen bij gemachtigde mr. E. Unger voornoemd en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. Als deskundige is van de zijde van eiser meegebracht P.J. van Dijk, psycholoog en werkzaam bij het Sinaï Centrum te Amersfoort.

II. MOTIVERING

Eiser heeft in zijn hoedanigheid van curator van zijn broer [betrokkene], hierna: betrokkene, die is geboren in 1937, in november 2001 een aanvraag ingediend ingevolge de Wet, die er toe strekt dat betrokkene wordt erkend als vervolgde in de zin van de Wet en dat aan hem onder meer een bijzondere voorziening wordt toegekend bestaande uit vergoeding van de kosten van twee maal per jaar een vliegreis naar Israël met begeleiding voor een bezoek aan zijn in Israël wonende broer (eiser). Bij besluit van 31 december 2002 heeft verweerster betrokkene erkend als vervolgde in de zin van de Wet, maar de aanvraag overigens afgewezen op de grond dat bij hem geen ziekten en gebreken zijn gecon-stateerd waarvan aangenomen kan worden dat zij voortvloeien uit de vervolging. Dit standpunt van verweerster is in overeenstemming met het aan dit besluit ten grondslag liggende medisch advies, inhoudende dat bij betrokkene onder meer sprake is van psychische klachten die berusten op een aangeboren verstandelijke handicap.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster in navolging van haar geneeskundig adviseur alsnog aanvaard dat een deel van de psychische klachten van betrokkene met de vervolging verband houdt. Een vergoeding van vliegtickets als namens betrokkene aangevraagd heeft verweerster geweigerd op de grond dat voor deze voorziening geen medische noodzaak aanwezig is.

Eiser kan zich met dit onderdeel van het bestreden besluit niet verenigen.

De Raad overweegt als volgt.

Het tussen partijen bestaande geschil spitst zich toe op de vraag of er voor betrokkene een medische noodzaak als bedoeld in artikel 20 van de Wet bestaat voor de namens hem aangevraagde voorziening in de kosten van twee maal per jaar een vliegreis naar Israël met begeleiding. Blijkens het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies van de geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad is door verweerster aanvaard dat eiser als broer van betrokkene de spil is van zijn zeer beperkte steun-systeem, zodat het contact tussen beiden voor betrokkene als essentieel, c.q. medisch noodzakelijk moet worden gekwalificeerd. De Raad acht dit standpunt gezien de omtrent betrokkene beschikbare medische informatie juist.

Verweerster heeft de ten behoeve van betrokkene aangevraagde voorziening niettemin geweigerd omdat in de opvatting van verweerster voor de onderlinge communicatie en band tussen betrokkene en zijn broer de lijfelijke aanwezigheid niet als essentieel kan worden beschouwd.

De Raad kan verweerster in deze laatste opvatting niet volgen. Hiertoe kent de Raad beslissende betekenis toe aan de gedingstukken van medische aard en met name de daarop ter zitting van de Raad gegeven toelichting door de deskundige P.J. van Dijk, wiens oordeel als behandelaar van betrokkene gedurende 23 jaar de Raad in dit verband van doorslaggevende betekenis acht. Uit hetgeen de deskundige van Dijk ter zitting heeft verklaard ziet de Raad duidelijk naar voren komen dat voor betrokkene met zijn beperkte verstandelijke vermogens met name de lijfelijke aanwezigheid bij zijn broer in Israël van essentiële betekenis is ter verlichting van zijn met de vervolging samenhangende psychische klachten. Voor de namens betrokkene aangevraagde vliegtickets naar Israël oordeelt de Raad derhalve een strikt medische noodzaak als bedoeld in artikel 20 van de Wet aanwezig. Nu tussen partijen niet in geschil is dat het voor betrokkene onmogelijk is zonder begeleiding te reizen, dient ook de begeleiding bij zijn vliegreizen naar Israël ingevolge artikel 20 van de Wet te worden vergoed.

Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond verklaard moet worden.

De Raad acht termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiser, bestaande uit kosten van juridische bijstand ( € 644,-) en kosten van de ter zitting meegebrachte deskundige (€ 203,08).

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt de bestreden beslissing;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat verweerster aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 847,08, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

10.10