Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU5538

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2005
Datum publicatie
03-11-2005
Zaaknummer
04/6257 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing erkenning als vervolgingsslachtoffers omdat betrokkene geen vervolging heeft ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6257 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 30 september 2004, kenmerk JZ/M60/2004/0660, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser op bij het beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met het geding nr. 04/6595 WUV ten name van de erven van [betrokkene in het geding 04/6595 WUV], behandeld ter zitting van de Raad op 15 september 2005. Aldaar is eiser niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Bij het bestreden besluit heeft verweerster, na bezwaar, gehandhaafd haar besluit van 18 augustus 2003, waarbij de aanvraag van eiser om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering ingevolge de Wet werd afgewezen. Hiertoe is overwogen dat eiser geen vervolging heeft ondergaan en voorts niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wet vervatte nationaliteitsvereisten, zodat ook gelijkstelling met de vervolgde als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet niet mogelijk is.

Het geding tussen partijen spitst zich toe op de vraag of verweerster terecht en op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat onvoldoende is kunnen blijken dat eiser – die de Indonesische nationaliteit heeft - ten tijde van de oorlogsjaren 1940-1945 de Nederlandse nationaliteit heeft gehad.

Door eiser is naar voren gebracht dat hij op 16 maart 1940 te Makassar werd geboren als wettige zoon uit het huwelijk van de Nederlander [naam vader], die in maart 1945 in Japanse krijgsgevangenschap is overleden, en de Indonesische vrouw [naam moeder].

Verweerster heeft, na zeer uitgebreid onderzoek mede via de Nederlandse ambassade te Jakarta, overgenomen het door die ambassade ingenomen standpunt dat ten behoeve van eiser voor de toepassing van de Wet niet een zogenoemde nationaliteitsverklaring kan worden afgegeven. Hierbij is geconcludeerd dat eiser niet in zijn stelling kan worden gevolgd nu officiële bescheiden waaruit de gestelde afstamming zou kunnen blijken niet ter tafel zijn gekomen. Verweerster heeft met name van betekenis geacht dat, bij gebreke van de geboorteakte omdat de betreffende geboorteregisters niet meer (volledig) aanwezig zijn, uit de bij het ministerie van Defensie over [naam vader] voornoemd aanwezige registratieve gegevens, noch uit een, in het “oude Jakarta archief” aangetroffen nationaliteitsdossier uit 1954 ten name van [naam vader] blijkt van kinderen.

De Raad kan zich met dit oordeel van verweerster verenigen.

Nu het gaat om de vaststelling van de nationaliteit stelt verweerster aan de bewijsvoering terecht hoge eisen. Dit brengt voor dit geval mee dat, bij gebreke van de officiële geboorteakte omdat geboorteregisters verloren zijn gegaan, van de gestelde afstamming tenminste op enigerlei andere wijze in officiële gegevens bevestiging gevonden moet kunnen worden. Met zodanige gegevens kunnen een doopakte, een notariële verklaring van erfrecht, bekendheidsverklaringen en besluiten ter uitvoering van de Algemene oorlogsongevallenregeling, zoals door en namens eiser overgelegd, niet op een lijn worden gesteld, nu de inhoud daarvan niet, althans niet kenbaar, berust op kennisname van officiële gegevens als hiervoor bedoeld. In voorts nog overgelegde brieven uit 1948 van Commandanten der Zeemacht in het voormalige Nederlands-Indië, waarin aan [naam moeder] het overlijden van haar echtgenoot [naam vader] wordt bekendgemaakt, wordt van eventuele kinderen niet gerept.

Onder deze omstandigheden acht ook de Raad van doorslaggevende betekenis dat in de genoemde militaire registratieve gegevens, noch in het genoemde nationaliteitsdossier van kinderen van [naam vader] sprake is.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de in geding zijnde vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het door eiser ingestelde beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.