Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU5529

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2005
Datum publicatie
04-11-2005
Zaaknummer
05/1024 AOR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot tegemoetkoming in de kosten van huishoudelijke hulp. Verzoek van eiseres afgewezen onder overweging dat zij niet op grond van haar causale psychische klachten is aangewezen op deze voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1024 AOR

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (Indonesië), verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 9 februari 2005, kenmerk 941/CAOR, heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Algemene Oorlogsongevallenregeling, hierna: AOR.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft zij aangegeven waarom zij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met de zaak 05/1025 AOR, behandeld ter zitting van de Raad op 15 september 2005. Aldaar is eiseres niet verschenen, en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door haar eerste en tweede secretaris, respectievelijk J.R.H. Frölings en mr. L.H.G. Belleflamme.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in 1930, heeft in augustus 1999 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke invaliditeitsuitkering krachtens de AOR.

Bij op bezwaar genomen besluit van 27 maart 2002 heeft verweerster aan eiseres ingaande 1 augustus 1999 onder meer een periodieke invaliditeitsuitkering toegekend. Daarbij is bepaald dat de psychische klachten van eiseres worden aanvaard als oorlogsletsel in de zin van artikel 1 van de AOR.

Bij schrijven van 20 november 2003 heeft eiseres verweerster verzocht om in aanmerking te worden gebracht voor een tegemoetkoming in de kosten van huishoudelijke hulp. Bij besluit van 4 januari 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 9 februari 2005, heeft verweerster het verzoek van eiseres afgewezen onder overweging dat zij niet op grond van haar causale psychische klachten is aangewezen op deze voorziening en dat haar pijnklachten van met name de handen en de onderrug somatische klachten zijn en derhalve niet kunnen worden aanvaard als staande in verband met de causale psychische klachten.

Eiseres kan zich met die afwijzing niet verenigen.

De Raad staat thans ter beoordeling of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij overweegt daartoe als volgt.

Verweerster heeft haar besluit gebaseerd op bij eiseres ten behoeve van haar aanvraag verricht medisch onderzoek door de arts F.A.M. van den Brand, die eiseres op 11 december 2004 heeft onderzocht. De arts Van den Brand heeft op grond van zijn onderzoek vastgesteld dat bij eiseres sprake is van beperkingen met betrekking tot het verrichten van bepaalde huishoudelijke taken, zoals ramen zemen en stofzuigen, en dat de oorzaak van die beperkingen is gelegen in pijnklachten van de diverse gewrichten, met name de handen en de onderrug. Deze lichamelijke klachten zijn naar de bevindingen van deze arts niet als oorlogsletsel aan te merken, maar dienen naar hun aard te worden beschouwd als een gevolg van de leeftijd en de constitutie van eiseres.

De Raad acht het bestreden besluit met deze medische advisering deugdelijk onder-bouwd. Hij heeft in de gedingstukken van medische aard geen aanknopingspunten gevonden om het standpunt van verweerster zoals neergelegd in het bestreden besluit dat geen causaal verband bestaat tussen voormelde pijnklachten van eiseres en haar oorlogsletsel voor onjuist te houden.

Eiseres heeft in beroep haar standpunt herhaald dat verweerster ten onrechte haar aanvraag op grond van het ontbreken van causaal verband tussen haar oorlogsletsel en de door haar gevraagde voorziening heeft afgewezen, omdat de wetgever het causaliteits-vereiste voor 70-jarigen en ouder vervallen heeft verklaard. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft eiseres gewezen op een artikel in het Beleidskatern van de Pensioen- en Uitkeringsraad van april 2001 en op de voordracht van de voormalige minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, dr. E. Borst-Eilers, van 30 oktober 2003.

De Raad kan het door eiseres ingenomen standpunt niet volgen. Hij heeft daartoe overwogen dat ingevolge het Besluit vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen van 16 juni 2004, zoals gepubliceerd in Staatsblad 2004, 282, het vervallen verklaren van de causaliteitseis de navolgende wetten betreft:

- Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp);

- Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Wbpzo);

- Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Wiv);

- Wet uitkering vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv);

- Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Aangezien in het hier bedoelde Besluit van 16 juni 2004 de AOR niet wordt vermeld, dient het erop te worden gehouden dat het vervallen verklaren van het causaliteitsvereiste niet de uitvoering van de AOR betreft. De Raad merkt hierbij overigens nog op dat in het door eiseres ingebrachte artikel van het Beleidskatern van de Pensioen- en Uitkeringsraad van april 2001 de AOR ook niet wordt genoemd, zulks in verband met het feit dat de AOR niet wordt uitgevoerd door de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Eiseres kan aan dit beleidskatern dan ook geen rechten ontlenen.

Daar komt bij dat namens verweerster desgevraagd ter zitting is verklaard dat de AOR een Nederlands Indische regeling is waarvan Nederland destijds slechts de uitvoering ten behoeve van Nederlandse gerechtigden heeft overgenomen en waarbij het steeds de bedoeling is geweest dat de AOR onveranderd zou blijven.

Het vorenstaande betekent dat verweerster naar het oordeel van de Raad terecht aan het vereiste van causaliteit heeft vastgehouden en dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Het beroep van eiseres moet dan ongegrond worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.