Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU5511

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2005
Datum publicatie
03-11-2005
Zaaknummer
03/5191 MPW + 03/5192 MPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang geding in hoger beroep. Kan in hoger beroep worden teruggekomen op uitdrukkelijke aanvaarding van de juistheid van een medisch standpunt in eerste aanleg?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5191 MPW + 03/5192 MPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Australiƫ), appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, uiteengezette gronden is namens appellant bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 augustus 2003, nummers AWB 00/7003 MPWKLA en AWB 01/152 MPWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een, eveneens van bijlagen voorzien verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vervolgens, onder inzending van nadere stukken, over en weer schriftelijk op elkaars standpunten gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 september 2005. Daar is namens appellant verschenen

mr. K.I. Meijering, werkzaam bij de BNMO, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door P.J.H. Souren, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP. Als namens appellant meegebrachte deskundige is ter zitting verschenen J.H. Postma, orthopedisch chirurg te Bilthoven.

II. MOTIVERING

In dit geding is aan de orde de toepassing van de Algemene militaire pensioenwet (hierna: de Wet). De Wet is bij het ingevolge de Kaderwet militaire pensioenen gegeven Koninklijk Besluit van 29 mei 2001, Stb. 260, met ingang van 1 juni 2001 ingetrokken. De Raad is evenwel ingevolge overgangsrecht bevoegd van het geding kennis te nemen.

De bestreden besluiten betreffen de intrekking van het besluit om aan appellant ingaande 25 februari 1997 een militair invaliditeitspensioen toe te kennen, en de niet-ontvankelijkverklaring in verband daarmee van het bezwaar dat appellant had ingediend tegen de ingangsdatum van het pensioen.

De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de feiten en omstandigheden die de rechtbank bij de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen.

In het bijzonder gaat de Raad in dit verband ook uit van de vaststelling door de rechtbank dat bij de aan te leggen toetsing heeft te gelden dat appellant lijdende is aan een synoviale chrondomatosis, een endogeen gepredispositioneerde aandoening van de elleboog-gewrichten, alsmede aan artrose van de ellebooggewrichten, en dat voor deze aandoeningen een oorzakelijk verband met de uitoefening van zijn militaire dienst in de periode van maart 1946 tot januari 1951 niet kan worden aanvaard. Door de toenmalige, rechtsgeleerde gemachtigde van appellant is - na ingewonnen medisch advies - de juistheid van die medische diagnoses en de vermelde daaraan verbonden gevolgtrekking in beroep bij de rechtbank uitdrukkelijk aanvaard; het bepaalde in artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat eraan in de weg om hierop in hoger beroep weer terug te komen. Dit zou mogelijk anders kunnen zijn indien inmiddels zou zijn gebleken van nieuwe medische feiten die op het onderhavige punt een volstrekt ander licht werpen, maar die situatie doet zich hier niet voor.

Voorts heeft de rechtbank er in de aangevallen uitspraak terecht op gewezen dat eerder bij onaantastbaar geworden rechterlijke uitspraak van 8 mei 1979 is vastgelegd dat tussen een eiser in 1948 overkomen dienstongeval - een val uit een truck - en zijn elleboog-klachten generlei verband - en dus ook geen verergerend verband - bestaat, en dat niet is gebleken van nieuwe medische inzichten sedertdien.

Het voorgaande betekent dat in hoger beroep primair (slechts) aan de orde is de vraag of gedaagde thans terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat ook het werken met zware panelen van Bailey-bruggen in de jaren 1946 tot 1949 niet in die mate heeft bijgedragen aan de genoemde elleboogklachten dat gesproken zou kunnen worden van een verergerend dienstverband in de zin van de Wet juncto de ingevolge het in de Wet vervat overgangsrecht nog van toepassing zijnde Pensioenwet voor de landmacht 1922.

Evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. De Raad kan de terzake door de rechtbank gehanteerde, uitvoerige, overwegingen geheel onderschrijven en maakt deze tot de zijne.

In het bijzonder is ook de Raad van oordeel dat gedaagde heeft mogen afgaan op de door hem terzake bij

prof. dr. P.R. Rozing, orthopedisch chirurg te Leiden, ingewonnen expertise. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd kan hieraan, mede gelet op de bovenomschreven omvang van het geding, niet afdoen.

Voorts staat in hoger beroep ter beoordeling de vraag of gedaagde, na de ontkennende beantwoording van de hiervoor vermelde vraag over verergerend dienstverband tussen elleboogklachten en het werk aan Bailey-bruggen, terecht en op goede gronden is overgegaan tot intrekking, met toepassing van artikel W 4 van de Wet, van de toekenning aan appellant van een invaliditeitspensioen.

Ook die vraag beantwoordt de Raad, evenals de rechtbank, bevestigend.

Bepalend daartoe is dat - naar uit de gedingstukken genoegzaam blijkt - de toekenning heeft plaatsgevonden op basis van een medisch advies, waarin alsnog een verergerend verband tussen de elleboogklachten en het dienstongeval aannemelijk wordt geacht. Aangezien aan deze visie geen (kenbare) nieuwe medische gegevens of inzichten ten grondslag liggen en die visie voorts volledig voorbijgaat aan hetgeen is vastgelegd in voormelde rechterlijke uitspraak en de daaraan ten grondslag liggende stukken uit 1979 en de daaraan ten grondslag liggende stukken, is hier sprake van een feitelijke onjuistheid die tot herziening ingevolge artikel W 4 van de Wet diende te leiden. De aangevoerde omstandigheid dat die onjuistheid mogelijk niet aan het licht was gekomen als appellant niet tegen de ingangsdatum van het pensioen bezwaar had gemaakt, kan - hoe invoelbaar deze grief ook is - aan toepassing van artikel W 4 van de Wet niet in de weg staan.

Gelet op het voorgaande is ook de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de ingangsdatum terecht.

Een en ander leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2005.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) E. Heemsbergen.