Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU5340

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-09-2005
Datum publicatie
02-11-2005
Zaaknummer
03/5734 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag tot erkenning als burgeroorlogsgetroffene afgewezen op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld (als bedoeld in artikel 2 van de WUBO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5734 WUBO

U I T S P R A AK

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 30 September 2003, kenmerk JZ/A60/2003, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld.

Bij brief van 5 december 2003 heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, zich gesteld als gemachtigde van eiseres. Bij brief van 4 maart 2004 heeft mr. J.C.M. van Berkel voornoemd, in een aanvullend beroepschrift de gronden aangegeven waarop het beroep berust.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 oktober 2004, waar voor eiseres is verschenen mr. Van Berkel voornoemd. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

De Raad, van oordeel zijnde dat het onderzoek niet volledig is geweest, heeft het onderzoek heropend en bij brief van 16 november 2004 aan verweerster nadere vragen gesteld.

Verweerster heeft bij brief van 15 december 2004 antwoord gegeven op de aan haar gestelde vragen.

Na daarvoor verkregen toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat verder onderzoek ter zitting achterwege blijft en dat het onderzoek is gesloten.

II. MOTIVERING

In augustus 2002 heeft eiseres, die geboren is [in] 1936 in het voormalige Nederlands-Indie, bij verweerster een aanvraag ingediend om krachtens de Wet te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet.

Eiseres heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die zij in verband brengt met hetgeen haar tijdens de oorlogsjaren en de zogenoemde Bersiapperiode in het voormalige Nederlands-Indie is overkomen. In dit verband heeft eiseres onder meer naar voren gebracht dat haar moeder met de kinderen, waaronder eiseres, tijdens de Japanse bezetting door Japanse soldaten uit huis is gezet en samen met andere echtgenotes en kinderen van KNIL-militairen is overgebracht naar Betek, een als opvangkamp ingerichte school. Een jaar later zijn ze overgebracht naar Lawang in "Soemberwaras", een voormalig weeshuis, waar zij tot het einde van de Japanse bezetting hebben verbleven. Zij werden slecht behandeld, er was voortdurend honger en angst en de Japanse soldaten begingen gruwelijkheden.

Verweerster heeft bovengenoemde aanvraag bij besluit van 15 april 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld (als bedoeld in artikel 2 van de Wet). Verweerster heeft daarbij onder meer overwogen dat van het onder bedreiging en met geweld van huis worden gehaald van eiseres en haar familie, buiten de eigen verklaring van eiseres, geen bevestiging is verkregen. Voorts is verweerster van oordeel dat het verblijf in de kampen Betek en Soemberwaras niet onder de werking van de Wet kan worden gebracht omdat deze kampen waren bedoeld als opvangkamp voor daklozen en voor vrouwen en kinderen zonder middelen van bestaan en een verblijf aldaar daarom niet kan worden beschouwd als een handeling of maatregel van de vijandelijke bezettende macht als bedoeld in de Wet.

In beroep is namens eiseres aangevoerd dat voldoende is komen vast te staan dat eiseres onder bedreiging met geweld en onder achterlating van alle bezittingen uit huis werd gezet, dat ze onvrijwillig in de kampen is ondergebracht en dat ze niet vrij was om het kamp te verlaten.

De gemachtigde van eiseres heeft zich daarbij beroepen op beleid van verweerster op grond waarvan onder omstandigheden ook verblijf in een door Japanners opgezet kamp, niet zijnde een in het kader van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 erkend interneringskamp, onder de werking van de Wet kan worden gebracht, en wel als er sprake is van dwang, dat wil zeggen indien de betrokkene onvrijwillig naar het kamp is gegaan en/of indien de betrokkene niet vrij was het kamp te verlaten.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

De Raad heeft in de beschikbare stukken, waaronder sociale rapporten opgemaakt in het kader van aanvragen van zusters van eiseres, geen bevestiging gevonden van de stelling dat het gezin waartoe eiseres behoorde door de Japanners onder bedreiging en geweld van huis werd weggevoerd en onvrijwillig in kampen is ondergebracht.

Naar aanleiding van de door de Raad bij brief van 16 november 2004 gestelde vragen heeft verweerster onder meer een nader onderzoek ingesteld naar de lokaties Betek en Soemberwaras. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat in maart en april 1942 gezinnen van KNIL-miltairen die woonachtig waren in of nabij de kazerne te Malang door de Japanners op straat zijn gezet. Dankzij burgerinitiatief van de beter gesitueerden in Malang werden er opvanglokaties/kampen voor deze gezinnen opgezet, waaronder twee scholen aan de Betek, welke onder beheer van het Rode Kruis kwamen. De betrokkenen konden zich buiten het kampterrein begeven om bijvoorbeeld inkomsten te verwerven. Deze kampen zijn later weer door de Japanse overheid gevorderd, waarna een groot deel van de bewoners is overgebracht naar het opvangkamp Soemberwaras te Lawang. Zoals eiseres blijkens het haar aanvraag begeleidende sociaal rapport ook zelf heeft beschreven, was daar geen permanente bewaking en moesten de bewoners zelf maar zien hoe ze aan voedsel kwamen; de moeder van eiseres ging hier en daar werken als baboe.

Verweerster handhaaft dan ook haar standpunt dat het verblijf van eiseres in de genoemde kampen niet kan worden beschouwd als een handeling of maatregel van de vijandelijke bezettende macht als bedoeld in de wet.

De Raad kan zich daarmee, overeenkomstig zijn rechtspraak in andere soortgelijke zaken, verenigen.

Uit een en ander volgt dat de namens eiseres genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden. Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat derhalve geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

De Raad merkt nog op dat hiermee zeker niet is beoogd te miskennen dat eiseres tijdens de oorlogsjaren en de zogenoemde Bersiap-periode onder zware en beangstigende omstandigheden heeft moeten leven. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in die Wet omschreven specifieke gebeurtenissen.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. J.C.F. Talman en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 September 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.

HD

19.09