Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU5180

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2005
Datum publicatie
31-10-2005
Zaaknummer
04/3861 WW + 04/3862 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst ontbonden. Ontbindingsvergoeding. Eerste WW-dag. Komt uitkering krachtens Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel (Bbwo) als inkomen in mindering op WW-uitkering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2006, 40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3861 WW

04/3862 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde 1,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedaagde 2.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellant heeft mr. G. Wind, werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond, op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Assen op 11 juni 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nrs. 03/693 en 03/694 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagden is een verweerschrift ingediend.

De vereniging voor [werkgever] heeft bericht niet als belanghebbende aan de gedingen deel te nemen.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 31 augustus 2005, waar voor appellant is verschenen mr. Wind voornoemd, terwijl gedaagden zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sedert 1 augustus 1971 werkzaam als docent in dienst van (de rechtsvoorgangers van) de vereniging voor [werkgever] (hierna: de werkgever). Bij beschikking van 12 juli 2002 heeft de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst met appellant met ingang van 1 september 2002 ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan appellant van € 6000,-- .

1.2. Bij besluit van 14 januari 2003 heeft gedaagde 1 appellant met ingang van

13 oktober 2002 uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Bij besluit van eveneens 14 januari 2003 heeft gedaagde 2 appellant met ingang van 13 oktober 2002 uitkering toegekend ingevolge het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (Bbwo).

1.3. Bij besluiten van 17 juni 2003 hebben gedaagden het bezwaar van appellant tegen voornoemde besluiten in zoverre gegrond verklaard dat de ingangsdatum van de WW- en de Bbwo-uitkering is gesteld op 1 oktober 2002. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat niet alleen de door de kantonrechter toegewezen vergoeding van € 6000,-- maar ook de toegekende Bbwo-uitkering moet worden aangemerkt als inkomsten waarop appellant recht heeft in verband met de beëindiging van zijn dienstbetrekking, welke inkomsten op grond van artikel 16, derde lid, van de WW moeten worden gelijkgesteld met het recht op onverminderde doorbetaling van loon als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW, en wel tot het bedrag dat appellant zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd. De door de werkgever ten aanzien van appellant fictief in acht te nemen opzegtermijn bedraagt volgens de van toepassing zijnde CAO drie maanden, waarop ingevolge artikel 16, derde lid, laatste volzin, van de WW de zogenoemde rda-maand in mindering komt, terwijl opgezegd dient te worden tegen het einde van de maand.

1.4. Gedaagde 1 stelt zich op het standpunt dat vorenbedoelde inkomsten toereikend zijn ter dekking van de volledige fictieve opzegtermijn, zodat de eerste werkloosheidsdag is bepaald op 1 oktober 2002, waarmee de ingangsdatum van de WW-uitkering op die datum is gesteld. Gedaagde 2 heeft zich voor de bepaling van de ingangsdatum van de Bbwo-uitkering aangesloten bij het standpunt van gedaagde 1 ten aanzien van de eerste werkloosheidsdag.

1.5. Appellant heeft in beroep allereerst bestreden dat de Bbwo-uitkering in aanmerking kan komen om te worden gelijk gesteld met inkomsten als vorenbedoeld. Hij meent dat die gelijkstelling alleen geldt voor de door de kantonrechter toegewezen ontbindingsvergoeding. Te dien aanzien wijst hij erop dat het bedrag van € 6000,-- gedeeld door het bedrag aan loon dat hij gedurende de opzegtermijn per dag zou hebben ontvangen, te weten € 224,67, afgerond 27 uitkeringsdagen dekt en dat deze moeten worden toegerekend aan de periode vanaf 13 juli 2002, de dag na de beschikking van de kantonrechter. De aldus gevonden eerste werkloosheidsdag zou komen te liggen op een datum vóór 1 september 2002. Appellant stelt zich derhalve op het standpunt dat bij de bestreden besluiten de ingangsdatum van de werkloosheidsuitkeringen ten onrechte op

1 oktober 2002 is gesteld.

2.1. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat de fictieve opzegtermijn een maand bedraagt, dat onder toepassing van de rekenregels van artikel 2 van het Besluit vaststelling fictieve opzeg-termijn Werkloosheidswet (hierna het Besluit) het aantal dagen waaraan de door de kantonrechter toegekende vergoeding moet worden toegerekend op ruim 26 uitkerings-dagen uitkomt, zodat deze vergoeding moet worden gelijkgesteld aan loondoorbetaling van een maand. Daardoor ontstaat eerst na een maand na beëindiging van de arbeidsover-eenkomst aanspraak op een werkloosheidsuitkering, zijnde 1 oktober 2002. Daarom wordt niet toegekomen aan de beantwoording van de partijen verdeeld houdende vraag of de bovenwettelijke uitkering eveneens gelijk moet worden gesteld aan een loondoor-betaling, aldus de rechtbank.

3.1. In hoger beroep heeft appellant wederom de juistheid van de bestreden besluiten bestreden en heeft daaraan toegevoegd dat zijns inziens de rechtbank met haar oordeel dat de ontbindingsvergoeding, los van de bovenwettelijke uitkering, toereikend was om de eerste werkloosheidsdag te stellen op 1 oktober 2002, is getreden buiten de omvang van het geding.

3.2. Gedaagden stellen zich blijkens het verweerschrift achter de overwegingen van de rechtbank waar huns inziens 'geen speld tussen' is te krijgen.

4.1. De Raad deelt niet het standpunt van appellant dat de rechtbank bij de beoordeling van de ingangsdatum van de WW-uitkering buiten de omvang van het geding is getreden. De ontbindingsvergoeding maakt als zodanig ook zelfstandig onderdeel uit van de bestreden besluiten. Ter beoordeling staat dan ook in de eerste plaats of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over de bestreden besluiten. Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend.

4.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WW is werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en die beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

4.3. Artikel 16, derde lid, eerste volzin, van de WW bepaalt dat met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd. In artikel 16, derde lid, vijfde volzin, aanhef en onder b, van de WW is bepaald dat het in de eerste zin bedoelde bedrag, indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding, toegerekend wordt aan de periode, onmiddellijk volgend op de datum van de beschikking tot ontbinding.

4.4. Artikel 1 van het Besluit luidt: ‘Voor de toepassing van artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet, wordt onder het daarin genoemde begrip loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de voor de werkgever geldende termijn zou zijn geëindigd, verstaan: het bedrag dat de werknemer per dag aan loon zou hebben ontvangen als de dienstbetrekking nog zou hebben voortgeduurd.’

Partijen zijn het erover eens dat dit bedrag op € 224,67 moet worden gesteld.

4.5. Artikel 2 van het Besluit luidt:

‘1. Voor de vaststelling van de termijn, waarover de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking gelijkgesteld worden met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon, wordt uitgegaan van de volgende berekeningsmethode:

a. allereerst wordt de fictieve dan wel de nog in acht te nemen opzegtermijn vastgesteld;

b. het bedrag aan inkomsten in verband met de eindiging van de dienstbetrekking wordt gedeeld door het loon, bedoeld in artikel 1. Het verkregen cijfer wordt naar beneden afgerond op een geheel getal;

c. de uitkomst onder b is het maximale aantal uitkeringsdagen waarop de vergoeding betrekking heeft.

2. Indien het onder het eerste lid, onder c bedoelde aantal dagen kleiner is dan het aantal uitkeringsdagen die liggen in de fictieve dan wel nog in acht te nemen opzegtermijn, dan wordt uitgegaan van dit laagste aantal uitkeringsdagen.’

4.6. Gelet op artikel 16, derde lid, van de WW vangt de fictieve opzegtermijn aan op

13 juli 2002, de dag na de beschikking tot ontbinding, en eindigt deze - naar tussen partijen niet in geschil is - op 30 september 2002. De toepassing van artikel 2 van het Besluit leidt, uitgaande van alleen de ontbindingsvergoeding, tot de volgende berekening. Het bedrag van de ontbindingsvergoeding van € 6000,-- gedeeld door € 224,67 levert afgerond naar beneden het getal 26 op. Dat is het maximale aantal uitkeringsdagen waarop de vergoeding betrekking heeft. Gerekend vanaf 13 juli 2002 is aldus 19 augustus 2002 de laatste dag waarop de inkomsten bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WW betrekking hebben. In deze berekening zou 20 augustus 2002 de eerste werkloosheidsdag zijn. Nu echter de dienstbetrekking nog tot 1 september 2002 heeft voortgeduurd en het loon tot die datum is doorbetaald, zou het recht op WW-uitkering niet eerder ingaan dan op 1 september 2002.

4.7. Het standpunt van gedaagde 1 en - kennelijk ook - van de rechtbank dat de inkomsten wegens de toegekende ontbindingsvergoeding eerst vanaf de datum waarop de dienstbetrekking door ontbinding is geëindigd, gelijk worden gesteld met de doorbetaling van loon bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW is, gelet op artikel 16, derde lid, vijfde volzin, aanhef en onder b, van de WW, onjuist.

5.1. De Raad staat vervolgens voor de vraag of de bovenwettelijke uitkering in de zin van artikel 4, eerste lid, van het Bbwo moet worden aangemerkt als inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WW. Die vraag heeft de Raad bij zijn uitspraak van heden in het geding met registratienummers 04/2255 WW en 04/2256 AW; LJN AU4335, ontkennend beantwoord. Hij volstaat hier met de weergave van overweging 4.4. van die uitspraak.

5.2. Uit de bewoordingen van artikel 4, eerste lid, van het Bbwo blijkt dat het recht op een bovenwettelijke uitkering ontstaat als er sprake is van werkloosheid in de zin van de WW. De bovenwettelijke uitkering is derhalve afhankelijk gesteld van werkloosheid en niet van het einde van de dienstbetrekking. Hoewel er in veel gevallen een nauwe samen-hang zal bestaan tussen het einde van de dienstbetrekking en de eerste werkloosheidsdag, heeft in de systematiek van de WW enerzijds de beëindiging van de dienstbetrekking niet zonder meer werkloosheid in de zin van die wet tot gevolg, terwijl anderzijds het (voort)bestaan van een dienstverband niet aan het ontstaan van werkloosheid in de zin van de WW in de weg hoeft te staan. Nu de bovenwettelijke uitkering zo sterk is verbonden met het werkloosheidsbegrip uit de WW betekent dit derhalve dat de boven-wettelijke uitkering niet kan worden aangemerkt als inkomsten in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, als bedoeld in artikel 16, derde lid, eerste volzin, van de WW. De Raad wijst er daarbij op dat het onderhavige geval verschilt van de zaken die aan de orde waren in de uitspraak van de Raad van 4 juni 2003, USZ 2003/227, RSV 2003/253, LJN AH8692, in die zin dat de suppleties in die zaken door de kantonrechter werden toegekend ter zake van de ontbinding van de betreffende arbeidsovereenkomsten. Bovendien vloeiden die suppleties niet voort uit een met het Bbwo vergelijkbare regeling.

5.3. Gedaagde 1 heeft derhalve de eerste werkloosheidsdag op een onjuiste wijze bepaald. Gelet op de slotsom van overweging 4.6. van deze uitspraak heeft appellant, indien de overige bepalingen van de WW zich daartegen niet verzetten, per 1 september 2002 recht op een WW-uitkering. Omdat de ingangsdatum van de Bbwo-uitkering, gelet op artikel 4, eerste lid, van het Bbwo, onlosmakelijk is verbonden met de ingangsdatum van de WW-uitkering, komt appellant dan eveneens per die datum een Bbwo-uitkering toe.

6.1. Het hoger beroep slaagt derhalve. De bestreden besluiten komen wegens strijd met de WW en het Bbwo voor vernietiging in aanmerking. Datzelfde geldt voor de aangevallen uitspraak waarbij die besluiten in stand zijn gelaten. Gedaagden zullen met inachtneming van het voorgaande op de bezwaren van appellant dienen te beslissen.

6.2. De Raad acht termen aanwezig om gedaagden op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ieder voor de helft te veroordelen in de kosten die appellant heeft moeten maken voor het voeren van deze gedingen, welke kosten worden bepaald op € 644,-- voor rechtsbijstand in beroep en € 644,-- in hoger beroep, totaal derhalve

€ 1288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

Draagt gedaagden op een nieuw besluit op de bezwaren van appellant te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;

Veroordeelt gedaagde 1 in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt gedaagde 2 in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de helft van het door appellant in beroep betaalde griffierecht van € 31,-- en de helft van het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 102,--, derhalve totaal € 66,50 vergoedt;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden de helft van het door appellant in beroep betaalde griffierecht van € 31,-- en de helft van het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 102,--, derhalve totaal € 66,50 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. J.C.F. Talman en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

RW

17/10