Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU4805

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2005
Datum publicatie
24-10-2005
Zaaknummer
05-3823 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring. Termijn overschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

05/3823 ALGEM

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. INLEIDING

Bij beroepschrift van 16 juni 2005 heeft mr. J. van Broekhuijze, advocaat te Ridderkerk, als gemachtigde van appellante hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 17 mei 2005 tussen partijen gegeven uitspraak.

II. MOTIVERING

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Deze bepaling is ingevolge artikel 6:24, eerste lid, van de Awb in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

Het ingediende beroepschrift bevat echter geen gronden.

Bij schrijven van 22 juni 2005 is de gemachtigde van appellante in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.

Bij fax en schrijven van 15 juli 2006 (lees: 2005), heeft de gemachtigde van appellante om uitstel verzocht voor het indienen van de gronden waarop het hoger beroep berust.

Bij schrijven van 19 juli 2005 heeft de Raad dit verzoek ingewilligd en de termijn voor het indienen van de gronden waarop het hoger beroep berust verlengd tot en met

17 augustus 2005.

Deze termijn is ongebruikt verstreken.

Bij aangetekend schrijven van 22 augustus 2005 is aan de gemachtigde van appellante nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van twee weken gesteld en is erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep kan leiden.

De gemachtigde van appellante heeft ook deze termijn ongebruikt laten voorbijgaan.

Nu niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging zouden kunnen vormen voor dit verzuim, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van T. Hemelrijk-

van den Oudenalder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) T. Hemelrijk-van den Oudenalder.

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT.

De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.