Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU4299

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2005
Datum publicatie
14-10-2005
Zaaknummer
04/3484 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Grondslag voor vaststelling periodieke uitkering WUV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3484 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 19 mei 2004, kenmerk JZ/U80/2004/0334, heeft verweerster ten aanzien van eiser uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Namens eiser is tegen dit besluit beroep ingesteld door mr. C.E.J.E. Kouijzer, advocaat te Goes. In het beroepschrift met bijlagen is aangegeven waarom eiser zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 augustus 2005. Aldaar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.E.J.E. Kouijzer voornoemd als zijn raadsvrouwe. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1939, is door verweerster bij besluit van 8 juni 2000 erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Hem is daarbij onder meer ingaande 1 maart 1999 een periodieke uitkering toegekend, waarvan de grondslag met toepassing van artikel 8, vijfde lid, van de Wet is bepaald op het per die datum ingevolge de Wet geldende wettelijk minimum, te weten f 3.256,- per maand.

Na het daartegen ingestelde beroep heeft de Raad dat besluit bij zijn uitspraak van 28 mei 2003, nr. 02/601 WUV, vernietigd, onder overweging dat verweerster de voor eiser geldende grondslag met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Wet had dienen vast te stellen naar het laatstelijk voor zijn invalidering door hem in Indonesië uitgeoefende beroep en toepassing gevend aan het bepaalde in artikel 8, derde lid, van de Wet daarbij rekening had dienen te houden met het meest vergelijkbare beroep in Nederland. Verweerster is daarbij opgedragen een nader besluit te nemen met in achtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Ter uitvoering van deze uitspraak heeft verweerster bij besluit van 6 januari 2004 de grondslag van de periodieke uitkering nader vastgesteld op een bedrag van f. 3.946, 32 (€ 1.790,76) per maand per 1 maart 1999.

Verweerster is daarbij uitgegaan van de in de binnen het reiswezen geldende CAO genoemde functiegroep 7, met het maximaal aantal dienstjaren. Verweerster heeft daarbij onder meer aangegeven van oordeel te zijn dat zij eiser in deze geenszins tekort heeft gedaan.

Het voordien bij de Raad ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van dit besluit, is namens eiser bij schrijven van 22 januari 2004 ingetrokken onder vermelding dat eiser zich kan verenigen met de inhoud van het besluit.

Verweerster heeft vervolgens bij berekeningsbesluit van 29 februari 2004 de aan eiser toegekende uitkering over de periode 1 maart tot 1 januari 2003 definitief en over de periode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2004 voorlopig vastgesteld. Aan eiser bleek toen dat het positieve verschil met de wettelijke minimum grondslag dat bruto f 690,32

(€ 313,25) bedroeg netto slechts tot een verbetering van € 8,50 per maand leidde.

Namens eiser is tegen die beslissing bezwaar gemaakt. Hij acht deze in strijd met het vertrouwensbeginsel en/of het motiveringsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel. Aangegeven is dat met name door de zinsnede “dat wij u in deze geenszins tekort hebben gedaan” bij eiser het vertrouwen is gewekt dat hij een substantiële verhoging van zijn netto inkomsten kon voorzien. Als leek heeft eiser er niet bij stil gestaan dat de toeslag voor de ziektekostenverzekeringspremie zou komen te vervallen.

Verweerster heeft bij het thans bestreden besluit het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen het besluit van 6 januari 2004 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Niet in geschil is dat de uitkering van eiser op de juiste wijze en in overeenstemming met de wettelijke bepalingen is berekend.

De gemachtigde van eiser stelt zich echter op het standpunt dat verweerster ten onrechte bij haar besluit van 6 januari 2004 niet heeft aangegeven dat de toeslag ziektekostenver-zekeringspremie, die een substantieel deel uitmaakte van de eerder verstrekte uitkering, door de hogere grondslag zou komen te vervallen. Was dat wel gebeurd dan zou dat voor hem reden zijn geweest beroep in te stellen tegen dat besluit.

Daarbij is nog opgemerkt dat eiser, die destijds in het kader van de door hem genoten uitkering van de gemeentelijke sociale dienst verplicht verzekerd was in het kader van de Ziekenfondswet, op aanwijzing van verweerster een particuliere ziektekostenverzekering heeft afgesloten.

Met verweerster is de Raad van oordeel dat eisers grieven met betrekking tot het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel in wezen betrekking hebben op verweersters besluit van 6 januari 2004 en dan ook slechts in een beroep tegen dat besluit aan de orde hadden kunnen worden gesteld. Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit van verweerster ter uitvoering van zijn uitspraak van 28 mei 2003, welk beroep in beginsel ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mede werd geacht te zijn gericht tegen het besluit op bezwaar van 6 januari 2004, is evenwel door eiser ingetrokken. De in geding zijnde berekeningsbeslissing is slechts ter uitvoering van dat inmiddels in rechte vaststaande besluit genomen. In zoverre heeft verweerster het bezwaarschrift niet-ontvankelijk kunnen verklaren.

Met betrekking tot het beroep dat namens eiser is gedaan op het vertrouwensbeginsel overweegt de Raad het volgende.

Eiser zou het vertrouwen dat hij door de verhoging van zijn uitkeringsgrondslag er substantieel op vooruit zou gaan met name ontlenen aan de in verweersters besluit van

6 januari 2004 vermelde overweging dat zij van mening was eiser in deze geenszins tekort te hebben gedaan. Een dergelijke overweging behelst echter geen ongeclausuleerde toezegging dat eiser daadwerkelijk een veel hoger bedrag uitbetaald zou krijgen dan hij tevoren genoot. Wat als uitkering betaalbaar kan worden gesteld van de bruto berekende uitkering is immers, zoals ter zitting door de gemachtigde van verweerster is uiteengezet, van meerdere factoren afhankelijk. Op dit punt wordt door verweerster ook in haar informatiebrochure “Uitgerekend Wuv en Wubo” gewezen - de gemachtigde van eiser heeft dat zelf opgemerkt - waar bijvoorbeeld wordt vermeld dat bij uitkeringen die op een betrekkelijk lage grondslag zijn gebaseerd een toeslag voor de premie ziektekosten wordt toegekend, maar dat bij uitkeringen die op hogere grondslagen zijn gebaseerd de toeslag niet of niet volledig zal worden verstrekt.

De Raad merkt in dit verband nog op dat het een algemeen bekend maatschappelijk verschijnsel is dat een inkomenstoename gevolgen kan hebben voor mogelijke aanspraken op financiële voordelen als subsidies en toeslagen ten behoeve van degenen die lage inkomens hebben.

Van in rechte te honoreren, door verweerster gewekte verwachtingen acht de Raad dan ook geen sprake.

Dat eiser is teleurgesteld in de verwachtingen die hij koesterde van de verhoging van zijn uitkeringsgrondslag is begrijpelijk maar kan er naar het oordeel van de Raad niet toe leiden dat bij het berekeningsbesluit hem in strijd met de wettelijke bepalingen alsnog, zoals door hem verzocht, met terugwerkende kracht over de gehele uitkeringsperiode de toeslag voor ziektekostenverzekeringspremie wordt verstrekt en voor de toekomst verstrekt zal blijven, dan wel dat verweerster het door hem gestelde nadeel op andere wijze zal compenseren.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

29.09