Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU4112

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2005
Datum publicatie
11-10-2005
Zaaknummer
04/2530 AAWAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verstek
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. Geen gegronde reden aagevoerd voor het niet (tijdig) betalen van het griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2530 AAWAO

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[opposant], wonende te [woonplaats] (Marokko), opposant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

De Raad heeft bij uitspraak van 5 november 2004 het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2004, nummer AWB 02/4950 AAWAO, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet is betaald.

Tegen die uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad gehouden op 26 augustus 2005, waar beide partijen - geopposeerde met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Ten gevolge van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of het hoger beroep bij zijn uitspraak van 5 november 2004 terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

In het verzetschrift heeft opposant aangegeven dat hij het griffierecht heeft betaald maar dat hij zich in de adressering heeft vergist en dat het bedrag alsnog door een familielid in Nederland betaald zal worden.

Hetgeen opposant heeft aangevoerd bevat geen grond op basis waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.

De Raad overweegt daartoe dat een fout in de adressering, waarvan geen bewijs is overlegd, voor rekening van opposant dient te komen en overigens dat het griffierecht tot op heden niet is betaald.

Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met het vijfde lid van artikel 8:55 van de Awb ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.

CVG