Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU3884

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2005
Datum publicatie
06-10-2005
Zaaknummer
04/1554 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medewerker ministerie. Werkhervatting na arbeidsongeschiktheid. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar. Is er sprake van een appellabel besluit gericht op rechtsgevolg?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1554 AW + 04/1555 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 februari 2004, nrs. AWB 02/3397 AW en 03/3689 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 augustus 2005, waar appellant in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.C. van Eck en M.E. Bos-Nelissen, beiden werkzaam bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was sedert 1972 werkzaam bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, hoofddirectie Rijkswaterstaat (RWS), laatstelijk in de functie van tweede medewerker kostprijszaken. Na een periode van arbeidsongeschiktheid is appellant met ingang van 7 mei 2001 arbeidsgeschikt verklaard voor het verrichten van zijn eigen werkzaamheden. Nadat bleek dat appellant in verband met een arbeidsconflict niet meer werkzaam wilde zijn in zijn oude functie en hervatting in die functie - zonder enige vorm van mediation of andere begeleiding - ook werd afgeraden door de bedrijfsarts heeft er op 18 juli 2001 een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en zijn raadsman enerzijds en gedaagdes hoofd Bedrijfsvoeringsbureau en hoofd P&O-bureau anderzijds. Nadien is er verschil van mening ontstaan over de tijdens dat gesprek gemaakte afspraken en zijn onderhan-delingen gestart over een vertrekregeling. Partijen zijn daarbij echter niet tot overeen-stemming gekomen.

1.2. Op 11 maart 2002 en 15 mei 2002 is weer gesproken over de wijze waarop appellant zijn werkzaamheden voor RWS zou kunnen hervatten.

1.3. Bij brieven van 26 juni 2002 en 8 juli 2002 heeft appellant gedaagde verzocht om de op 15 mei 2002 besproken voorstellen en suggesties met betrekking tot werkhervatting op schrift te stellen. Gedaagde heeft hieraan gehoor gegeven bij brief van 15 juli 2002.

1.4. Bij brieven van 18 en 24 juli 2002 heeft appellant bezwaar aangetekend tegen het uitblijven van een besluit op zijn brieven van 26 juni en 8 juli 2002 en de weigering van gedaagde een besluit te nemen ter uitvoering van de schriftelijke afspraken vanaf 18 juli 2001. Bij brief van 26 juli 2002 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de voorstellen vervat in gedaagdes brief van 15 juli 2002.

1.5. Appellant is op 28 augustus 2002 telefonisch gehoord omtrent zijn bezwaren en heeft bij brief van 29 augustus 2002 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaren. Bij besluit van 11 november 2002 (hierna bestreden besluit I) heeft gedaagde de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

1.6. Bij besluit van 4 februari 2003 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 4 mei 2003 op grond van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) eervol ontslag verleend onder toekenning van een uitkering ter hoogte van het totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk. Het hiertegen door appellant ingediende bezwaar is bij besluit van 21 augustus 2003 (bestreden besluit II) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant, gericht tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang bij een beoordeling daarvan omdat gedaagde inmiddels bestreden besluit I had genomen, tegen welk besluit het beroep van appellant ingevolge het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd geacht mede te zijn gericht. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond verklaard.

Ook het beroep van appellant tegen bestreden besluit II is door de rechtbank ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt als volgt.

Met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar.

3.1. De Raad stelt vast dat deze niet-ontvankelijkverklaring wegens het ontbreken van procesbelang ingeval het bestuursorgaan naderhand alsnog een reëel besluit op bezwaar neemt, dat wordt getoetst, in lijn is met de jurisprudentie van de Raad. Het hoger beroep hiertegen kan dus niet slagen.

Met betrekking tot bestreden besluit I.

4.1 In zijn brief van 26 juni 2002 heeft appellant gedaagde verzocht de tijdens het gesprek van 15 mei 2002 gedane voorstellen op schrift te stellen teneinde de schriftelijke weergave van gedaagdes inzichten met betrekking tot appellants werkhervatting als 'bespreekpunten' aan te wenden in het vervolgtraject. In de brief van 8 juli 2002 heeft appellant dit verzoek herhaald. Met de brief van 15 juli 2002 heeft gedaagde dit verzoek ingewilligd en schriftelijk weergegeven welke opties naar zijn mening besproken waren tijdens de gesprekken van 11 maart en 15 mei 2002.

4.2. Een dergelijke brief is, gezien ook de aard van het verzoek waarop het een reactie vormt, naar het oordeel van de Raad niet gericht op enig rechtsgevolg en mitsdien niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, noch als een met een besluit gelijk te stellen appellabele handeling zoals bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Awb.

4.3. Als gevolg hiervan kan niet anders geoordeeld worden dan dat het (beweerdelijk te lang) uitblijven van een dergelijke - niet als besluit aan te merken - reactie evenmin aangemerkt kan worden als een met een besluit gelijk te stellen weigering om (tijdig) een besluit te nemen, zoals bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb.

4.4. Uit het hiervoor geconstateerde volgt dat gedaagde de bezwaren van appellant, gericht tegen het uitblijven van een reactie op zijn verzoeken en tegen de brief van gedaagde van 15 juli 2002, niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat daartegen geen bezwaar open stond.

4.5. Het besluit van 11 november 2002, waarbij de bezwaren van appellant ten onrechte ongegrond verklaard zijn, kan niet in stand blijven en de aangevallen uitspraak dient,

voorzover daarbij bestreden besluit I in stand is gelaten, vernietigd te worden. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en bedoelde bezwaren alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

Met betrekking tot bestreden besluit II.

5.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad van oordeel dat de rechtbank tot een juiste vaststelling is gekomen van de hier relevante feiten. De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen en maakt dat tot het zijne. Hij voegt daaraan, naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, nog het volgende toe.

5.2. De stelling van appellant dat gedaagde alles op alles heeft gezet om hem uiteindelijk te kunnen ontslaan wordt naar het oordeel van de Raad gelogenstraft door de door gedaagde verrichte inspanningen om tot een vergelijk of - eventueel via een mediationtraject - een herplaatsing te komen.

5.3. Uit het dossier wordt genoegzaam duidelijk dat eind 2002 de conclusie gerecht-vaardigd was dat er geen zicht meer was op een tewerkstelling van appellant binnen het gezagsbereik van gedaagde. Gedaagde was er niet in geslaagd om appellant een passende functie aan te bieden en appellant heeft niet aannemelijk kunnen maken dat een passende functie wel voorhanden was en/of dat hij rechtens relevante stappen heeft gezet om een dergelijke functie te kunnen bemachtigen. Bovendien was sprake van een almaar toenemende verharding van wederzijdse standpunten, niet in de laatste plaats als gevolg van de door appellant in zijn talrijke brieven aan gedaagde geuite beschuldigingen. In die omstandigheden is vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk en kan voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan worden verlangd.

5.4. De door gedaagde getroffen uitkeringsregeling kan de rechterlijke toetsing eveneens doorstaan. Gelet op het hiervoor in 5.2. en 5.3. overwogene is de Raad van oordeel dat het aandeel van gedaagde in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen niet zodanig is dat de getroffen voorziening niet redelijk is te achten.

5.5. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat bestreden besluit II in rechte stand houdt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre bevestigd dient te worden.

Het verzoek om schadevergoeding in verband met het verleende ontslag komt reeds daarom niet voor inwilliging in aanmerking.

6. Onder deze omstandigheden ziet de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,- wegens in beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van

11 november 2002 ongegrond is verklaard;

Vernietigt dat besluit en verklaart het bezwaar tegen de brief van 15 juli 2002 en het bezwaar tegen het uitblijven van een reactie op de verzoeken niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in beroep in het geding nr. 02/3397 AW en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 314,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 september 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.P. Grauss.