Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU3834

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2005
Datum publicatie
06-10-2005
Zaaknummer
04/4951 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WUV-gerechtigde. Huurbijdrage. Beleidswijziging. Overgangsmaatregel.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4951 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 13 augustus 2004, kenmerk JZ/U80/2004/0526, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Eiser heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift met bijlagen heeft eiser aangegeven waarom hij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 augustus 2005. Aldaar is eiser in persoon verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren [in] 1929, is gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wet. Aan hem zijn - voor zover van belang - een periodieke uitkering toegekend met ingang van 1 mei 1973, alsmede bij besluit van 1 mei 1991 op grond van artikel 20 van de Wet een bijdrage in de huurkosten samenhangend met een in verband met eisers met de vervolging samenhangende ziekten of gebreken noodzakelijk geachte verhuizing naar een duurdere woning. Deze bijdrage in de huurkosten betrof dat deel van de huurkosten, dat meer bedraagt dan 1/6 deel van het bruto gezinsinkomen.

Bij schrijven van verweerster van 1 juni 2004, met bijlage, is aan eiser mededeling gedaan van een door verweerster ingaande 1 juli 2004 toe te passen andere wijze van berekenen van de hem toekomende huurbijdrage, inhoudende dat ingaande die datum niet langer wordt vergoed hetgeen aan huurkosten uitstijgt boven 1/6 deel van het bruto gezinsinkomen, doch hetgeen uitstijgt boven 21 % van dat inkomen. Bij schrijven van

29 juni 2004 is aan eiser medegedeeld dat uitgaande van een inkomensnorm van 21 % het voor hem per 1 juli 2004 vastgestelde bedrag aan huurbijdrage (€ 210,02) lager is dan het bedrag dat eiser tot dan aan huurbijdrage (€ 285,16) ontving om welke reden de voor hem per 1 juli 2004 geldende bijdrage op het voorheen geldende (hogere) niveau is gehandhaafd. Een door eiser tegen de gewijzigde berekening van de hem toekomende huurbijdrage gemaakt bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

Gelet op hetgeen eiser in beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte gehandhaafd kan worden. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Blijkens de gedingstukken heeft verweerster aanleiding gezien haar beschikkingsvoor-waarden te wijzigen op grond van door haar vastgestelde gewijzigde maatschappelijke ontwikkelingen die er toe hebben geleid dat relatief meer van het inkomen wordt besteed aan woonkosten in vergelijking met vroeger, waardoor een verschuiving is opgetreden tussen de algemeen gebruikelijke en extra kosten in de zin van artikel 20 van de Wet. Aansluiting zoekend bij de Huursubsidiewet heeft verweerster bepaald dat algemeen gebruikelijk woonkosten 21 % bedragen van het bruto gezinsinkomen.

Ten aanzien van diegenen die op basis van de voorheen geldende norm van 1/6 deel van het bruto gezinsinkomen voor een hogere bijdrage in de huurkosten in aanmerking kwamen dan op basis van het ingevolge de Huursubsidiewet geldende percentage wordt vastgesteld, heeft verweerster bij wijze van overgang besloten de huurbijdrage op het oude bedrag te fixeren.

De Raad stelt voorop dat hij verweerster in het kader van artikel 20 van de Wet gerechtigd acht periodiek te bezien wat moet worden gerekend tot de extra kosten als in dat artikel bedoeld en daarmee zo nodig te komen tot bijstelling van haar beschikkings-voorwaarden. Uit de gedingstukken ziet de Raad echter niet overtuigend naar voren komen dat de in de Huursubsidiewet gehanteerde percentages overeenstemmen met het ten tijde hier van belang gemiddeld in Nederland aan woonkosten bestede deel van het inkomen. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordigster van verweerster ook geen verheldering kunnen verschaffen omtrent de vraag of niet de ingevolge de Huur-subsidiewet gehanteerde percentages tevens zijn tot stand gebracht in verband met door besteding van overheidsgelden ingegeven overwegingen en daarin mogelijk tot stand te brengen bezuinigingen, noch heeft zij anderszins kunnen aantonen dat het per 1 juli 2004 door verweerster gehanteerde percentage van 21 overeenstemt met dat deel van het bruto inkomen dat in Nederland gemiddeld aan woonkosten wordt besteed. Zonder een nadere onderbouwing door verweerster van hetgeen moet worden beschouwd als algemeen gebruikelijke woonkosten kan de Raad de door verweerster ingaande 1 juli 2004 gehanteerde andere berekeningswijze van de ingevolge artikel 20 van de Wet aan uitkeringsgerechtigden toekomende huurbijdrage niet kwalificeren als een redelijke beleidsopvatting.

Ook de door verweerster bij haar beleidswijziging tot stand gebrachte overgangsregeling ontmoet bij de Raad overwegende bezwaren. Hij neemt daarbij in aanmerking dat een huurbijdrage op grond van artikel 20 van de Wet slechts wordt toegekend aan diegenen die in verband met hun met de vervolging samenhangende ziekten of gebreken moeten verhuizen naar, dan wel blijven wonen in een woning die in verhouding tot hun inkomen te duur is. Door fixatie van de huurbijdrage wordt een geleidelijke verslechtering in de financiële positie van deze uitkeringsgerechtigden tot stand gebracht, waarvoor de Raad geen enkele rechtvaardiging aanwezig acht. De Raad heeft daarbij mede het oog op de omstandigheid dat degenen die ingevolge de Wet uitkering genieten over het algemeen een hoge leeftijd hebben en geen mogelijkheden meer hebben door wijziging van hun deelname aan het arbeidsproces te komen tot een verhoging van hun gezinsinkomen. Naar het oordeel van de Raad had het uit oogpunt van rechtszekerheid op de weg van verweerster gelegen ten aanzien van diegenen die reeds voor 1 juli 2004 in aanmerking kwamen voor een huurbijdrage de berekeningswijze daarvan niet te wijzigen en onveranderd te handhaven op dat deel van de huurkosten dat 1/6 deel van het bruto gezinsinkomen overschrijdt.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiser, bestaande uit

€ 12,86 aan reiskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Verstaat dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat verweerster aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt;

Veroordeelt de Pensioen- en Uitkeringsraad in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 12,86.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 september 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

28.09