Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU3746

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2005
Datum publicatie
06-10-2005
Zaaknummer
04/940 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herziening ten nadele na overlijden uitkeringsgerechtigde; terugvordering van de erven

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 61
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 61a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/940 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de erven van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats], eisers,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 29 januari 2004, kenmerk JZ/B80/2003/0793, heeft verweerster ten aanzien van eisers een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, als gemachtigde van eisers bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eisers zich met het bestreden besluit niet kunnen verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 augustus 2005.

Aldaar is voor eisers verschenen hun gemachtigde mr. Van Berkel voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken ontving thans wijlen [betrokkene], overleden [in] 2002 (hierna te noemen: [betrokkene]), sedert 1 februari 1976 op grond van artikel 7, zesde lid, oud, van de Wet een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet.

In de loop van het jaar 2002 is verweerster gebleken dat [betrokkene], zoals voor de toepassing van artikel 7, zesde lid, oud, van de Wet wel vereist, in het verleden geen opgave had gedaan van door haar echtgenoot genoten inkomsten.

In verband hiermee heeft verweerster bij besluit van 4 december 2002, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het nu bestreden besluit, met toepassing van artikel 61, eerste lid, van de Wet de inmiddels definitieve besluiten tot jaarlijkse vaststelling van de aan [betrokkene] toekomende periodieke uitkering met terugwerkende kracht tot en met 1997 te haren nadele herzien, en met toepassing van artikel 61 a van de Wet (uiteindelijk) een bedrag van € 10.000,-- als teveel aan [betrokkene] betaalde uitkering van eisers teruggevorderd.

In beroep tegen het bestreden besluit is namens eisers primair aangevoerd dat verweerster, gezien het bepaalde in de artikelen 61, eerste lid, en 61a van de Wet, ten tijde van het primaire besluit niet (meer) de bevoegdheid toekwam om tot een herziening ten nadele en tot terugvordering over te gaan, nu die bevoegdheid alleen geldt ten opzichte van de belanghebbende zelf en [betrokkene] ten tijde van het primaire besluit was overleden.

De Raad acht deze grief terecht voorgedragen.

In artikel 61, eerste lid, van de Wet is, voorzover hier van belang, bepaald dat een beschikking van de Pensioen- en Uitkeringsraad door haar in het nadeel van de bij die beschikking betrokkene kan worden herzien. Vervolgens is in artikel 61a van de Wet, voorzover hier van belang, bepaald dat, indien een ingevolge deze wet gegeven beschikking in het nadeel van de belanghebbende wordt herzien, terugvordering onder bepaalde omstandigheden mogelijk is.

Gelet op het gebruik van de woorden “bij die beschikking betrokkene” en “in het nadeel van belanghebbende” in de genoemde bepalingen, in onderling verband bezien, kan ook naar ‘s Raads oordeel een letterlijke interpretatie van die bepalingen tot geen andere conclusie leiden dan dat een herziening ten nadele als grondslag voor een terugvordering slechts bij leven van de uitkeringsgerechtigde kan plaatsvinden.

Gelet op de (mogelijk zeer) belastende gevolgen van de toepassing van de onderhavige bepalingen ziet de Raad voor een ruimere interpretatie daarvan bepaald geen aanleiding. Met name acht de Raad niet wel in rechte te aanvaarden dat erven van vervolgden in de zin van de Wet (geruime tijd) na het overlijden van de vervolgde nog geconfronteerd kunnen worden met de gevolgen van een herziening ten nadele.

Het zijdens verweerster nog gedane beroep op algemene regels van burgerlijk recht, als neergelegd in het Burgerlijk Wetboek, ter voorziening in de naar het oordeel van verweerster in dit opzicht bestaande lacune in de Wet, ziet de Raad - wat daarvan verder zij - vanwege het specifieke eigen karakter van de Wet geen doel treffen.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 61, eerste lid, en 61 a van de Wet dient te worden vernietigd. De Raad ziet voorts aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, ook het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende besluit van 4 december 2002 te vernietigen.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om verweerster te veroordelen in de kosten van eisers, welke zijn begroot op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

Van andere kosten is de Raad niet gebleken.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag liggende besluit van

4 december 2002;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eisers het in dit geding betaalde griffierecht ad € 27,-- vergoedt;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eisers tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan de griffier van de Raad.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 september 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

28.09