Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU2912

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2005
Datum publicatie
22-09-2005
Zaaknummer
04/2697 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindigingsovereenkomst inhoudende dat betrokkene volledig salaris zou behouden tot hij VUT-gerechtigd zou zijn. Terugvordering in verband met inkomsten nieuwe functie. Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel.Is er sprake van een besluit? Bevoegdheid toepassing niet meer geldende regelgeving; besluitbegrip

Wetsverwijzingen
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel I-A8
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel I-Q152
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2697 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 april 2004, nr. SBR 03/2124, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is hierop gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 augustus 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. J.P.A. Stolk. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Minkhorst, werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, kort weergegeven, feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1988 benoemd tot voorzitter van [naam hogeschool] (hierna: de Hogeschool). Bij een tussen appellant en de Hogeschool gesloten beëindigingsovereenkomst is afgesproken dat appellant met ingang van 1 augustus 1991 met behoud van volledig salaris zou optreden als adviseur van het algemeen bestuur van de Hogeschool, totdat hij per 1 januari 1994 zou uittreden op grond van de regeling voor vervroegde uittreding (VUT).

1.2. Nadat de Hogeschool in 1993 via de VUT-aanvraag van appellant vernam dat appellant met ingang van 28 augustus 1991 was verkozen tot voorzitter van het [naam openbaar lichaam], heeft de Hogeschool van appellant een bedrag ter grootte van de door hem gedurende het tijdvak van 1 juli 1991 tot 1 januari 1994 uit hoofde van dat voorzitterschap ontvangen gelden teruggevorderd met toepassing van het tot 1 augustus 1992 geldende artikel I-Q512 (vernummerd tot I-P54) van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (RpbO). Bij vonnis van de kantonrechter Rotterdam van 12 augustus 1998 is appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag van f. 177.633,76 bruto aan de Hogeschool ter zake van door appellant in de periode van 28 augustus 1991 tot en met 31 juli 1993 uit hoofde van zijn functie van voorzitter van het [naam openbaar lichaam] genoten inkomsten. Dit vonnis is door de rechtbank Rotterdam bij uitspraak van 23 september 1999 bekrachtigd. Het beroep in cassatie van appellant tegen deze uitspraak is door de Hoge Raad bij arrest van 2 november 2001 verworpen.

1.3. Bij schrijven van 7 mei 2002 heeft appellant gedaagde onder meer verzocht om met toepassing van artikel I-A8 van het RpbO te bepalen dat artikel I-Q512 van het RpbO buiten toepassing gelaten had moeten worden in verband met de onbillijke gevolgen die de toepassing van dat artikel voor appellant met zich mee had gebracht.

1.4. In antwoord hierop heeft gedaagde appellant bij besluit van 6 juni 2002 medegedeeld geen aanleiding te zien voor toepassing van artikel I-A8 van het RpbO, omdat de rechtmatigheid van de toepassing van artikel I-Q512 van het RpbO en de vordering van de Hogeschool reeds in rechte was vastgesteld.

1.5. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard. Gedaagde heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het schrijven van 6 juni 2002 niet kan worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbaar besluit omdat dit louter informatief van aard is en daarom niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Daarbij heeft gedaagde nog overwogen niet bevoegd te zijn om artikel I-A8 van het RpbO op appellant toe te passen.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het RpbO sinds 1 augustus 1993 geen toepassing meer vindt op HBO-instellingen, als gevolg waarvan gedaagde ten tijde van het verzoek van appellant van 7 mei 2002 niet meer de bevoegdheid toekwam om toepassing te geven aan artikel I-A8 van het RpbO. In het licht hiervan heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een publiekrechtelijke grondslag voor toepassing van artikel I-A8 van het RpbO ontbreekt. Gelet hierop en mede omdat de brief van 6 juni 2002 niet heeft geleid tot enig rechtsgevolg kan deze brief naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dan wel als een met een besluit gelijk te stellen appellabele handeling zoals bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Awb.

3.1. Namens appellant is betoogd dat de omstandigheid dat de geldingsduur van het RpbO voor het hoger beroepsonderwijs met ingang van 1 augustus 1993 is beëindigd, niet betekent dat het RpbO na die datum geen toepassing meer kan vinden in gevallen waarin aan feiten en omstandigheden uit de periode waarin het RpbO nog wel van kracht was, aanspraken zijn verbonden bij of krachtens dat RpbO. Dit blijkt, aldus appellant, ook duidelijk uit het feit dat de aanspraak van de Hogeschool jegens appellant op grond van artikel I-Q512 van het RpbO evenmin per 1 augustus 1993 vervallen was. Ook die aanspraak is immers (ook door de civiele rechter) ná 1 augustus 1993 beoordeeld aan de hand van de regelgeving (het RpbO) zoals die gold in de periode dat het aanspraakveroorzakende feit - de inkomsten die appellant zich door nevenwerkzaamheden verwierf - zich voordeed.

3.2. Namens gedaagde is daar tegenover gesteld dat de brief van 6 juni 2002 niet gericht was op enig rechtsgevolg en daarom niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Met de brief heeft gedaagde niet méér bedoeld dan in feitelijke zin antwoord te geven op de door appellant in de brief van 7 mei 2002 gestelde vragen. Gedaagde stelt zich voorts op het standpunt dat de brief van 6 juni 2002 evenmin kan worden aangemerkt als een met een besluit gelijk te stellen weigering om een besluit te nemen, omdat daarvan alleen sprake kan zijn indien er een wettelijke basis aanwezig is voor de weigering en het RpbO sedert 1 augustus 1993 door gedaagde niet meer gehanteerd kan worden als wettelijke basis voor welk besluit dan ook.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Naar het oordeel van de Raad is de mededeling van een bestuursorgaan, gedaan in antwoord op een aanvraag en inhoudende dat het bestuursorgaan zich onbevoegd acht om het door de aanvrager gewenste rechtsgevolg te bewerkstelligen, in beginsel aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Een dergelijke mededeling houdt in ieder geval een beoordeling in betreffende de aanwezigheid en de reikwijdte van de door de aanvrager veronderstelde publiekrechtelijke bevoegdheid.

4.2. Voor een uitzondering op genoemd beginsel ziet de Raad in dit geval geen aanleiding. Daarbij is in aanmerking genomen dat het inleidende verzoek van appellant ertoe strekt dat toepassing zal worden gegeven aan artikel I-A8 van het RpbO. Deze bepaling houdt in dat in gevallen waarin het RpbO niet of niet naar billijkheid voorziet, de Minister beslist. Gedaagde geldt in een geval als het onderhavige als de minister wie het aangaat, zodat niet kan worden gezegd dat gedaagde met de wettelijke regeling waarop appellant zich heeft beroepen geen enkele bemoeienis heeft. Voorts is de vraag of gedaagde terecht heeft gemeend niet tot toepassing van artikel I-A8 van het RpbO bevoegd te zijn niet van belang voor het besluitkarakter van de reactie op de aanvraag.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde en de rechtbank ten onrechte hebben aangenomen dat het bezwaar van appellant niet was gericht tegen een besluit. Van andere gronden voor niet-ontvankelijkverklaring is niet gebleken, zodat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Gedaagde zal een nieuwe beslissing op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.

4.4. Met het oog op deze nieuw te nemen beslissing overweegt de Raad dat de hierboven onder 4.2., laatste volzin, geformuleerde vraag ontkennend moet worden beantwoord.

4.4.1. De door appellant gestelde onbillijkheid, waarvan hij op de voet van artikel I-A8 van het RpbO reparatie verlangt, betreft de jegens hem door de Hogeschool op grond van artikel I-Q512 gedane terugvordering van onverschuldigd betaald salaris. Dat deze terugvordering door de in dit geval bevoegde burgerlijke rechter tot in hoogste instantie rechtmatig is bevonden, betekent nog niet dat zij jegens appellant geen onbillijkheid, in de zin van onevenredige hardheid, zou kunnen opleveren die voor toepassing van artikel I-A8 in aanmerking komt.

4.4.2. Nu de terugvordering, gelet op het tijdvak waarop deze betrekking heeft, rechtens op artikel I-Q512 van het RpbO kon worden gebaseerd - hetgeen eveneens door de burgerlijke rechter is vastgesteld - en het verzoek van appellant betrekking heeft op deze toepassing van het RpbO over datzelfde tijdvak, is ook artikel I-A8 van het RpbO van toepassing en heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat gedaagde niet meer de bevoegdheid toekwam om toepassing te geven aan dit artikel op de grond dat het RpbO ten tijde van het inleidende verzoek van appellant niet langer voor HBO-instellingen van kracht was. Een andere opvatting zou een niet te verdedigen splitsing aanbrengen in de toepasselijkheid van deze beide samenhangende bepalingen over eenzelfde periode.

4.4.3. Gedaagde dient derhalve inhoudelijk over de gevraagde toepassing van artikel I-A8 te beslissen.

5. De Raad acht, nu door de gemachtigde van appellant in eerste aanleg is aangegeven dat geen sprake was van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook anderszins niet van proceskosten is gebleken, geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het besluit van gedaagde van 18 juli 2003;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Bepaalt dat gedaagde aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 321,- vergoedt, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 september 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) J.P. Mulder.