Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU0070

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2005
Datum publicatie
27-07-2005
Zaaknummer
04/7339 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering tot erkenning als vervolgingsslachtoffer op de grond dat de omstandigheden waaronder eiser de oorlogsjaren heeft meegemaakt niet onder het begrip vervolging kunnen worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/7339 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 10 september 2004, kenmerk JZ/C60/2004/0603, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 juni 2005. Daar is eiser niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MORIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiser, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, in november 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend die primair ertoe strekt om met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde te worden gelijkgesteld en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering. In dat verband heeft eiser aangegeven dat zijn vader tijdens de Japanse bezetting van het voormalig Nederlands-Indië verplicht tewerkgesteld is geweest bij de fabriek Braat NV te Soerabaya en aldaar bij een bombardement in mei 1944 gewond is geraakt als gevolg waarvan hij is overleden.

Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 19 maart 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, in hoofdzaak op de grond dat de omstandigheden waaronder eiser de oorlogsjaren heeft meegemaakt niet onder het begrip vervolging kunnen worden gebracht, zodat geen aanleiding bestaat om eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster onder bepaalde voorwaarden bevoegd met de vervolgde gelijk te stellen de persoon ten aanzien van wie het toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Een van de voorwaarden voor toepassing van deze gelijkstellingsbepaling is dat de betrokkene weliswaar geen vervolging heeft ondergaan, maar wel heeft verkeerd in omstandigheden die met vervolging overeenkomst vertonen.

In het kader van artikel 3, tweede lid, van de Wet gegeven discretionaire bevoegdheid hanteert verweerster met betrekking tot de vervolging overeenkomende omstandigheden een richtlijn die inhoudt dat er aanleiding kan zijn om met toepassing van de anti-hardheidsbepaling tot gelijkstelling over te gaan, indien de ouder van een aanvrager, die tot moment van wegvoering in gezinsverband met de aanvrager leefde, tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 ten gevolge van de vervolging is omgekomen.

Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster terecht geen aanleiding gezien om eiser met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen.

Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat het Nederlands Instituut voor Oorlogs-documentatie en de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen in de hun ter beschikking staande archieven geen gegevens hebben aangetroffen die de gestelde vervolging van de vader van eiser kunnen bevestigen. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat er geen

- eenduidige - gegevens voorhanden zijn gekomen omtrent de omstandigheden waaronder de vader van eiser is overleden.

Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond. Het beroep van eiser dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.