Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT9953

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2005
Datum publicatie
26-07-2005
Zaaknummer
03/5196 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Repatriëring met gelijktijdige (definitieve) ontheffing uit functie.

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5196 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Bevelhebber der Landstrijdkrachten, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 september 2003, nr. AWB 02/2743 MAWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en desgevraagd een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 mei 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Billiet-de Jonge, werkzaam bij VBM/NOV. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Groenheijde, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is majoor bij de Koninklijke landmacht. Hij was uitgezonden naar Bosnië-Herzegovina teneinde aldaar werkzaamheden te verrichten als adviseur (training advisor) van het Federation of Bosnia and Hercegovina Mine Action Centre (FEDMAC).

1.2. Op 2 november 2001 is appellant omstreeks 20.00 uur te Sarajevo als bestuurder van een voertuig met Nederlands militair registratieteken betrokken geraakt bij een verkeers-ongeval. Omstreeks 22.00 uur is hem door de Bosnische politie op vrijwillige basis een blaasproef afgenomen, waarbij volgens de uitdraai van het analyse-apparaat een alcohol-gehalte van "1.92 per mil" is vastgesteld. Tegenover de Koninklijke marechaussee en bij een huishoudelijk onderzoek heeft appellant verklaard dat hij omstreeks 15.00 uur was uitgenodigd voor een feestje in de kantine van FEDMAC, waar hij 6 à 7 glazen bier heeft gedronken.

1.3. Op 8 november 2001 heeft de Commandant van 1(NL) Contingentscommando SFOR appellant voorgedragen voor ontheffing uit zijn functie bij FEDMAC en repatriëring naar Nederland. Bij besluit van 21 november 2001 heeft gedaagde dienovereenkomstig besloten, met als ingangsdatum 13 november 2001. Bij het bestreden besluit van 13 juni 2002 is het bezwaar van appellant door gedaagde ongegrond verklaard.

1.4. Bij vonnis van de militaire kantonrechter te Arnhem van 16 juni 2003 is appellant vrijgesproken van het hem tenlastegelegde rijden onder zodanige invloed van alcohol dat de hoeveelheid alcohol in zijn bloed 1,92 gram althans meer dan 0,5 gram alcohol per kilogram bloed bedroeg.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) is gedaagde bevoegd een militair van de rang van appellant uit de toegewezen functie te ontheffen.

In paragraaf 3.4.1. van de ten tijde hier van belang van toepassing zijnde Personeelsaanwijzingen Operationele Staf BLS (OPS BLS) is bepaald dat, als de militair definitief teruggehaald wordt met de bedoeling om hem/haar van zijn/haar (vredesoperatie) functie te ontheffen, er sprake is van een repatriëring. In alle andere gevallen wordt de omschrijving "dat betrokken militair tijdelijk terugkeert naar Nederland" gebruikt.

Ingevolge paragraaf 3.8. van de Personeelsaanwijzingen kan repatriëring plaatsvinden (onder meer) wegens een (vermeend) strafbaar feit. Commandanten krijgen geen inzage in het proces-verbaal dat door de Koninklijke marechaussee ten behoeve van de justitiële autoriteiten wordt opgemaakt, maar zij dienen, alvorens een voordracht tot repatriëring te doen, een huishoudelijk onderzoek in te stellen waaruit tevens moet blijken welke schade er naar hun mening aan de onderlinge verhoudingen, de organisatiebelangen en mogelijk zelfs het landsbelang is toegebracht.

2.2. In het geval van appellant is sprake van repatriëring met gelijktijdige (definitieve) ontheffing uit de hem toegewezen functie. Niet is gekozen voor een "tijdelijke terugkeer naar Nederland", al dan niet in combinatie met, of gevolgd door een schorsing in de uitoefening van de functie.

2.3. Naar het oordeel van de Raad kan onder omstandigheden aan de onder 2.1. bedoelde belangen een zodanig gewicht worden toegekend dat reeds bij een vermoeden van een strafbaar feit repatriëring kan plaatsvinden. Wel is vereist dat gedaagde bijzondere zorgvuldigheid in acht neemt bij de vaststelling of aan de in de Personeelsaanwijzingen gestelde voorwaarden voor repatriëring is voldaan. Zorg dient te worden gedragen voor een deugdelijke procedure en voor een deugdelijke onderbouwing van het (vermeende) strafbare feit. Daarbij komt aan het huishoudelijk onderzoek een grote betekenis toe, temeer omdat dit wordt ingesteld ter plaatse waar het feit is gepleegd.

2.4. Een gemeten alcoholgehalte van 1,92 promille in het bloed of een erkende consumptie van 6 à 7 glazen bier, onmiddellijk voorafgaande aan het besturen van een motorvoertuig, kan - te meer indien een ongeval plaatsvindt met iemand van de lokale bevolking - op zichzelf voldoende grond opleveren voor het oordeel dat sprake is van een verkeersmisdrijf van zodanige aard en ernst dat de militair, gelet op zijn functie en de verhoudingen ter plaatse, in het uitzendgebied niet meer te handhaven is.

2.5. In aanmerking genomen dat toepassing is gegeven aan het verhoudingsgewijs zware middel van repatriëring, kan de Raad echter niet voorbijzien aan de tegenstrijdigheden in de uitkomst van het huishoudelijk onderzoek in het geval van appellant. Zo is het hanteren van een promillage alcohol in het bloed niet zonder meer te verenigen met het feit dat appellant aan een ademtest en niet aan een bloedonderzoek is onderworpen. Onder aantekening dat een strafrechtelijke veroordeling als zodanig geen voorwaarde is voor een rechtmatige repatriëring, verwijst de Raad in dit verband naar de bevindingen van de militaire kantonrechter, die door gedaagde op geen enkele manier zijn weerlegd of weersproken. Deze bevindingen houden onder meer in dat uit nader onderzoek van de Koninklijke marechaussee in Bosnië is gebleken dat op de uitdraai van het ademanalyse-apparaat de aanduiding "1.92 per mil" staat voor 1,92 ugl alcohol per liter uitgeademde lucht en dat volgens het plaatsvervangend hoofd afdeling verkeerszaken van de politie te Sarajevo het testresultaat bij uitprinten wordt uitgedrukt in per mil (promille) ondanks dat het gaat om microgram alcohol per liter uitgeademde lucht (ugl). Over (automatische) omrekening van de ene in de andere waarde wordt daarbij niet gesproken. De Raad wijst erop dat in artikel 8, tweede lid, van de Nederlandse Wegenverkeerswet de grens van de strafbaarheid is gelegd bij een alcoholgehalte van de adem van 220 ugl (ofwel 0,5 promille alcohol in het bloed), in vergelijking waarmee een waarde van 1,92 ugl te verwaarlozen is. Dat appellant het nuttigen van 6 à 7 glazen bier heeft toegegeven, doet aan het vorenstaande onvoldoende af, nu zulk een consumptie over een periode van ongeveer 4 uren niet pleegt te leiden tot een alcoholgehalte van 1,92 promille in het bloed enkele uren later. Voor zo'n hoog promillage moet in het algemeen aanzienlijk meer alcohol zijn genuttigd. Daarbij is nog van belang dat appellant onweersproken heeft uiteengezet - en met bewijzen heeft gestaafd - dat bij FEDMAC uitsluitend blikjes bier van 0,3 liter en kleine (drank)glazen beschikbaar zijn, waarbij de inhoud van 6 à 7 glazen overeenstemt met die van (slechts) drie blikjes. Weliswaar is dit pas na de repatriëring naar voren gebracht, maar het gaat hier om feiten en omstandigheden die ook bij een voldoende deugdelijk uitgevoerd huishoudelijk onderzoek hadden kunnen blijken. De Raad onderkent dat een gemeten alcoholgehalte van de adem van 1,92 ugl onwaar-schijnlijk gering is in verhouding tot de door appellant toegegeven consumptie van 3 blikjes bier, doch die omstandigheid kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat sprake was van (een redelijke verdenking van) een strafbaar feit. Daar komt bij dat de Bosnische politie blijkbaar geen aanleiding heeft gevonden om appellant het verder rijden te beletten of daartoe de bevoegde internationale politiemacht in te schakelen.

2.6. Wat betreft de mogelijke overtreding van de zogenoemde "two can rule" (maximaal 2 blikjes bier per etmaal), die een tuchtrechtelijk karakter heeft, stelt de Raad vast dat blijkens het verhandelde ter zitting het besluit tot repatriëring daarop niet (mede) is gebaseerd. Overigens ziet die norm op blikjes bier à 0,45 liter en leidt een eerste overtreding slechts tot een waarschuwing.

2.7. De Raad concludeert dat er voor gedaagde onvoldoende feitelijke grondslag aanwezig was om zich bevoegd te achten tot repatriëring en het daartoe strekkende besluit te handhaven. Het bestreden besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak.

3. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan appellant in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand, alsmede tot een bedrag groot € 16,71 aan reiskosten in eerste aanleg en tot een bedrag groot € 10,61 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.315,32.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 13 juni 2002;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.315,32, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 284,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

08.07