Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT9951

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2005
Datum publicatie
25-07-2005
Zaaknummer
03/5195 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling militair. Beleidsregel beoordeling militairen Koninklijke landmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5195 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Commandant van de 11 Luchtmobiele Brigade, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 september 2003, nr. AWB 02/2639 MAWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 mei 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Billiet-de Jonge, werkzaam bij VBM/NOV. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Groenheijde, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is majoor bij de Koninklijke landmacht. Ten tijde hier van belang was hij werkzaam als [naam functie].

1.2. Op 13 februari 2001 heeft de bataljonscommandant, luitenant-kolonel E, een beoordeling opgesteld van het functioneren van appellant in de periode van (uiteindelijk) 28 oktober 1999 tot 14 augustus 2000. Nadat appellant bedenkingen naar voren had gebracht heeft gedaagde, als tweede beoordelaar, de beoordeling op 25 juni 2001 in gewijzigde vorm vastgesteld. Bij het bestreden besluit van 4 juni 2002 heeft gedaagde, na bezwaar, de beoordeling opnieuw gewijzigd en deze voor het overige gehandhaafd.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Appellant heeft naar voren gebracht dat de opeenvolgende wijzigingen ten onrechte niet in het originele exemplaar van de beoordeling zijn aangebracht, bijvoorbeeld door middel van doorhaling van de gewijzigde passages. Bij oppervlakkige raadpleging van zijn personeelsdossier zou aldus een verkeerd beeld kunnen ontstaan van de beoordeling zoals deze is komen te luiden.

2.1.1. De Raad stelt vast dat geen voorschrift is aan te wijzen op grond waarvan gedaagde gehouden was de door appellant bepleite methode te volgen. In artikel 10, eerste lid, van de Beleidsregel beoordeling militairen Koninklijke landmacht (BBMKL) is bepaald dat, indien de door de eerste beoordelaar opgemaakte beoordeling is gewijzigd door de tweede beoordelaar, uitsluitend de waarderingen, omschrijvingen en verwachtingen gelden zoals die na bedoelde wijziging luiden. Daarmee is in overeenstemming dat gedaagde in de toelichting bij het vaststellingsbesluit, en vervolgens in het bestreden besluit, de wijzigingen punt voor punt heeft aangegeven. Deze wijzigingen treden rechtens in de plaats van de passages in de oorspronkelijke beoordeling waarop zij betrekking hebben.

2.1.2. Van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat het - ondanks het ontbreken van een daartoe strekkend voorschrift - uit een oogpunt van zorgvuldigheid en kenbaarheid geboden was het originele exemplaar van de beoordeling te wijzigen of te vervangen, is de Raad niet gebleken.

De onderhavige beroepsgrond treft dus geen doel.

2.2. Wat betreft de inhoud van de beoordeling, kan appellant zich niet verenigen met de waardering "bc" voor het aspect H.18, initiatief. Hij heeft erop gewezen dat de eerste beoordelaar een stijl van leiding geven hanteerde die afweek van de gebruikelijke, niet adequaat was en uiteindelijk door de eerste beoordelaar moest worden verlaten. Appellant geeft toe dat (ook) hij van de aansturing door de eerste beoordelaar geen hoogte heeft kunnen krijgen, maar hij meent dat hij zich desondanks ten volle voor de organisatie is blijven inzetten. Indien van hem, in reactie op de andere stijl van leiding geven, een andere aanpak werd verwacht, had de eerste beoordelaar hem dit concreet en tijdig duidelijk moeten maken. Op dit punt is het advies van het Adviesorgaan Bestuurs-rechtelijke Geschillen Koninklijke landmacht (ABGKL), waarop het bestreden besluit berust, volgens appellant niet consistent geformuleerd.

2.2.1. De Raad overweegt dat de kritiek van appellant op de wijze van leiding geven door de eerste beoordelaar, in essentie door gedaagde is onderschreven. Bij het bestreden besluit is het functioneren van de leidinggevende alsnog vermeld in onderdeel I.22 van de beoordeling, als verzwarende omstandigheid waaronder de (totale) functievervulling heeft moeten plaatsvinden. Dit betekent dat alle daarvoor in aanmerking komende aspecten van de beoordeling van appellant, waaronder het aspect initiatief, mede in het licht van het gebrekkig functioneren van diens leidinggevende moeten worden bezien.

2.2.2. De Raad is met gedaagde van oordeel dat - gelet op het systeem van het beoordelingsformulier - het gebrekkig functioneren van de leidinggevende niet kan leiden tot een hogere score voor de afzonderlijke aspecten van de beoordeling dan op zichzelf door het functioneren van appellant wordt gerechtvaardigd. In dat geval zou het optreden van de leidinggevende immers tweemaal in het resultaat van de beoordeling doorwerken.

2.2.3. Ingevolge artikel 8, derde lid, van de BBMKL had appellant er aanspraak op dat de door de eerste beoordelaar geconstateerde minder goede gedragingen of tekortkomingen in zijn functioneren hem zo spoedig mogelijk ter kennis werden gebracht. Naar het oordeel van de Raad is met dit voorschrift beoogd de betrokkene in de gelegenheid te stellen zijn gedrag onmiddellijk in de door de eerste beoordelaar gewenste zin te corrigeren. Gelet op deze doelstelling kan de eerste beoordelaar zich niet beperken tot het uiten van kritiek, maar dient ook voldoende duidelijk en concreet te worden aangegeven wat er van de betrokkene wordt verwacht.

2.2.4. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde zich, in navolging van het advies van het ABGKL (p.5-6), op het standpunt gesteld dat in het beoordelingstijdvak meermalen met appellant over diens functioneren is gesproken, waarbij ook het aspect initiatief aan de orde is gekomen, doch dat er geen sprake was van een concrete waarschuwing dat een waardering beneden het c-niveau dreigde. Daarbij is erop gewezen dat de eerste beoordelaar niet of niet tijdig de noodzakelijke richtlijnen en aanwijzingen aan zijn stafleden heeft gegeven, waardoor dezen nogal eens "zweefden". De Raad kan hieruit niet anders afleiden dan dat, ook naar het oordeel van gedaagde, niet is gebleken dat de eerste beoordelaar voldoende tijdig, duidelijk en concreet heeft aangegeven in welk opzicht het initiatief van appellant tekort schoot.

2.2.5. Vervolgens heeft gedaagde overwogen dat de twijfel over de helderheid van de zijde van de eerste beoordelaar niet in het nadeel van appellant zou mogen uitvallen, ware het niet dat het geen prijzenswaardige reactie van appellant is geweest om als militair van zijn (rangs)niveau "het hoofd erbij te laten hangen" als het eens tegen zit. Gedaagde heeft hierin het overtuigende argument gezien om toch de bc-waardering te handhaven. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde daarmee miskend dat het door de eerste beoordelaar aan appellant verweten gebrek aan initiatief was gelegen in precies ditzelfde "laten hangen van het hoofd". Immers, appellant is zowel door de eerste beoordelaar als door gedaagde tegengeworpen dat hij als reactie op de nieuwe wijze van leiding geven een afwachtende houding heeft aangenomen, in plaats van zijn eigen verantwoordelijk-heid te nemen en zelfstandig op de wensen van de leidinggevende in te spelen. Dat dit gebrek aan initiatief - wat daarvan verder zij - niet naar behoren aan appellant is voorgehouden, kan niet worden weggeredeneerd door opnieuw op ditzelfde gebrek aan initiatief te wijzen.

2.2.6. De Raad concludeert dat het bestreden besluit in zoverre op een onvoldoende motivering berust en derhalve in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. Het bestreden besluit komt dus voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak.

3. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan appellant in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand, alsmede tot een bedrag groot € 16,71 aan reiskosten in eerste aanleg en tot een bedrag groot € 10,61 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.315,32.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 4 juni 2002;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.315,32, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 284,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

08.07