Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT9950

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2005
Datum publicatie
25-07-2005
Zaaknummer
03/5015 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is bij betrokkene sprake is van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie, anders dan op grond van ziekten of gebreken? Heeft gedaagde terecht van zijn ontslagbevoegdheid gebruik gemaakt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5015 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 september 2003, nrs. AWB 03/3515 AW en 03/3516 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 mei 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te ’s-Gravenhage. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F. Scheffer en N. van Driel-Odermatt, beiden werkzaam bij de Belastingdienst.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sedert 1 april 1985 aangesteld als ambtenaar bij de Belastingdienst, laatstelijk in de groepsfunctie C en als bakhouder belast met werkzaamheden ten behoeve van de inning.

1.2. In het kader van een zogenoemd personeelsontwikkelingstraject is in 1997 een gesprek gevoerd met appellant. In dit gesprek heeft hij aangegeven dat hij wel eens wat anders binnen de Belastingdienst wil doen. Ook heeft hij aangegeven dat hij het eigenlijk niet meer zo zag zitten bij de dienst. Naar aanleiding van dit gesprek is appellant in de gelegenheid gesteld door een extern bureau een beroepskeuzeonderzoek (spiegeltraject) te laten uitvoeren.

1.3. In een brief van 16 april 1998 aan het hoofd van de eenheid heeft appellant, naar aanleiding van de stopzetting van de zogenoemde P-schuif, zijn ongenoegen geuit over zijn werk bij de Belastingdienst in zijn algemeenheid en de overplaatsing naar

’s-Gravenhage in het bijzonder.

1.4. Over het functioneren van appellant zijn in 1998, 1999, 2000 en 2001 beoordelingen opgemaakt. Na een goede beoordeling in 1998, kwam het samenvattende oordeel in 1999 en 2000 erop neer dat op de uitvoering van appellants werkzaamheden niets viel aan te merken, maar dat hij in de omgang met collega’s regelmatig irritaties opriep, hetgeen niet bevorderlijk was voor de samenwerking en leidde tot een soms explosieve sfeer binnen het team.

In 2001 luidde het samenvattende oordeel dat appellant geen vertrouwen had in zijn leidinggevende(n) en dat hij het niet naar zijn zin had bij het bijzondere behandelteam, waar hij inmiddels was geplaatst. De beoordelaar zag in de nabije toekomst geen verbetering optreden in de houding van appellant en was van mening dat hij niet meer op de afdeling te handhaven was.

1.5. Met appellant zijn diverse gesprekken gevoerd over zijn aversie tegen de Belasting-dienst, de mogelijkheden voor uitstroom en de wijze waarop de dienst behulpzaam kon zijn bij het zoeken naar een functie buiten de dienst. In verband hiermee is in 1999 via Vedior Arbeid en Onderwijs B.V. een individueel begeleidingstraject gestart ten behoeve van outplacement.

Eind november 2000 heeft Vedior bericht dat appellant had aangegeven niet in staat te zijn het begeleidingstraject voort te zetten.

1.6. Aangezien appellant problemen had met het geluidsniveau van de radio’s van zijn collega’s op de gezamenlijke werkplek - de radio’s stonden zijns inziens te hard - en het klimaat op de afdeling - naar appellants mening was het te koud - is hem enkele malen een andere werkplek aangeboden, doch dit heeft geen einde gemaakt aan de irritaties en aan de klachten van collega’s over appellants wijze van optreden.

1.7. Nadat in juni 2002 was geconstateerd dat de toegangsdeur tot het herentoilet was beschadigd, evenals een dossierkast op de afdeling deurwaarderij, en appellant had toegegeven de dader te zijn, is hem bij besluit van 5 juni 2002 op grond van artikel 77, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd.

1.8. Vervolgens is appellant in kennis gesteld van het voornemen hem ontslag te verlenen op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR, wegens ongeschikt-heid voor het door hem beklede ambt anders dan op grond van ziels- of lichaams-gebreken. Nadat appellant in de gelegenheid was gesteld zijn zienswijze te geven over dit voornemen heeft gedaagde daaraan bij besluit van 27 augustus 2002 uitvoering gegeven. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 16 juli 2003 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen door en namens partijen is aangevoerd het volgende.

3.1. In artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar kan worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. De ongeschiktheid moet zich uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn en worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

3.2. Gelet op de stellingen van partijen dient de Raad allereerst de vraag te beantwoorden of bij appellant sprake is van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie, anders dan op grond van ziekten of gebreken.

3.3. Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellant vanaf 1997 regelmatig signalen heeft afgegeven dat hij er niet meer voor voelde bij gedaagde werkzaam te zijn.

Vanaf 1999 heeft appellant jegens collega’s en leidinggevenden een houding en gedrag tentoongespreid waardoor de werkrelatie in toenemende mate onder druk is komen te staan. Zulks komt ook naar voren in de verslagen van beoordelings- en functionerings-gesprekken. Dat hieraan pesterijen ten grondslag hebben gelegen, zoals appellant heeft aangevoerd, is voor de Raad niet aannemelijk geworden.

Evenmin kan worden gezegd dat de dienstleiding geen pogingen heeft ondernomen om de werkomstandigheden aan de wensen van appellant aan te passen. Het heeft appellant echter kennelijk ontbroken aan het nodige aanpassings- en inlevingsvermogen ten aanzien van de beperkingen die de werkomgeving van een groepsfunctionaris C nu eenmaal meebrengt. Een reeks van waarschuwingen heeft in het gedrag van appellant geen blijvende verbetering gebracht en de agressie van appellant jegens de Belastingdienst is uiteindelijk uitgemond in fysieke daden van vernieling die door gedaagde met recht als onaanvaardbaar zijn aangemerkt.

3.4. Gezien het voorgaande deelt de Raad de conclusie van gedaagde dat appellant blijk heeft gegeven niet te beschikken over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor de uitoefening van zijn functie noodzakelijk zijn.

3.5. Gelet op hetgeen partijen daarover ter zitting hebben verklaard, stelt de Raad vast dat aan de ongeschiktheid geen medische oorzaak ten grondslag ligt.

3.6. De Raad beantwoordt de onder 3.2. gestelde vraag dan ook bevestigend en is van oordeel dat gedaagde in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde appellant voldoende kansen geboden zijn loopbaan een andere wending te geven of althans zijn gedrag te verbeteren. Appellant heeft de hem gedane handreikingen evenwel niet opgepakt.

3.7. De Raad merkt ten slotte op dat hij appellant niet kan volgen in zijn standpunt dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 8:86 van de Awb. Op grond van deze bepaling kan de voorzieningenrechter, indien een verzoek is gedaan een voorlopige voorziening te treffen, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Anders dan appellant meent is voor de toepassing van die bepaling niet de omvang van het feitencomplex als zodanig bepalend, maar het oordeel van de voorzieningenrechter dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Niet kan worden gezegd dat de voorzieningenrechter die bepaling onjuist heeft toegepast.

4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. R. Kooper als leden, in aanwezigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

08.07