Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT9885

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2005
Datum publicatie
25-07-2005
Zaaknummer
03/405 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging ontslaggrond. Ontslag wegens opheffing van de betrekking. Wijziging Ingangsdatum ontslag. Rechtsgevolg.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/405 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op daartoe bij beroepschrift en aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2002, nrs. AWB 02/3738 en 02/4337 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij uitspraak van 22 april 2003, nr. 03/446 AW-VV, heeft de voorzieningenrechter van de Raad het verzoek van appellante afgewezen om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Appellante heeft diverse brieven aan de Raad gezonden en nadere stukken in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 juni 2005, waar appellante in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.C.M. van Vliet, advocaat te ’s-Gravenhage, en D.A. Bergakker, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was sedert 1977 als ambtenaar in dienst bij de gemeente [naam gemeente]. Vanaf 1 januari 1993 was zij werkzaam in de naar salarisschaal 8 bezoldigde functie van adviseur automatisering bij de gemeentelijke dienst GDI. Volgens gedaagde is appellante, na een reorganisatie, waarbij haar functie is vervallen, per 1 april 1994 als herplaat- singskandidaat aangemerkt. Per 1 december 1994 is appellante tijdelijk geplaatst in de functie van bestandsbeheerder bij de Dienst Stadsbeheer. Per 1 december 1995 is deze plaatsing beëindigd. Het besluit van gedaagde van 4 juni 1996, waarbij deze beëindiging werd gehandhaafd, is door deze Raad bij uitspraak van 14 januari 1999, nr. 97/1784 AW, vernietigd, op de grond dat het oordeel omtrent de passendheid van deze functie voor appellante had moeten worden vastgesteld aan de hand van een beoordeling en de aanwezige beoordeling was ingetrokken. Nu terugkeer naar deze functie geen reële optie was, zijn hierbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten.

1.2. Per 1 januari 1997 is appellante tijdelijk geplaatst als wachtgeldconsulent bij het bureau Uitkeringen en Wachtgelden. In de loop van 1998 is een besluit tot schorsing genomen, hetwelk is ingetrokken, waarna opnieuw een schorsingsbesluit is genomen, dat uiteindelijk in hoger beroep door deze Raad bij zijn uitspraak van 31 augustus 2000, nrs. 99/4567 AW, 99/6069 AW en 00/1577 AW, is vernietigd. Omdat gedaagde in november 1998 de schorsing had beëindigd, zijn daarna gesprekken gevoerd om te komen tot werkhervatting, hetgeen niet is gelukt. Bij besluit van 22 februari 1999 is de tijdelijke plaatsing als wachtgeldconsulent beëindigd, waarna appellante als herplaatsingskandidaat voor bemiddeling is aangemeld bij het gemeentelijk mobiliteitsbureau Intraject. Het besluit van 6 juli 1999, waarbij die beëindiging is gehandhaafd, is door de rechtbank vernietigd, omdat deze niet was gebaseerd op een beoordeling. Voorts heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van deze vernietiging, vanwege de inmiddels ernstig verstoorde arbeidsverhoudingen, in stand gelaten, hetgeen in hoger beroep door deze Raad bij voormelde uitspraak van 31 augustus 2000 is bevestigd.

1.3. Bij brief van 30 juli 1999 zijn vanwege de secretaris van de algemene bezwaren-commissie personeelsbesluiten diverse mededelingen aan appellante gedaan. Bij brief van 18 augustus 1999 is namens gedaagde aan appellante bericht dat de bemiddeling van appellante naar een andere functie is hervat. Tegen deze brieven heeft appellante bezwaar gemaakt. De behandeling van deze bezwaren is op verzoek van appellante opgeschort, in afwachting van de verdere ontwikkelingen.

1.4. In het najaar van 1999 is een reïntegratieproject begonnen bij Bureau Cursief b.v.. Dat bureau heeft zich eind december 1999 teruggetrokken, omdat onvoldoende basis voor een constructieve samenwerking met appellante aanwezig werd geacht. Vervolgens zijn gesprekken met appellante gevoerd, hetgeen heeft geresulteerd in de brief van 2 oktober 2000, waarin is bepaald dat de bemiddelingstermijn genoemd in het Sociaal BeleidsKader reorganisaties (SBK) loopt tot uiterlijk 30 september 2001. Voorts is aangegeven dat met appellante is afgesproken dat zal worden gezocht naar een functie binnen of buiten de gemeentelijke organisatie en dat zij daarbij zal worden begeleid door bureau Stobberingh. Hiertegen heeft appellante eveneens bezwaar gemaakt. Ook de behandeling van dit bezwaar is opgeschort.

1.5. Het bureau Stobberingh heeft de begeleiding van appellante ter hand genomen, hetgeen ertoe heeft geleid dat zij van mei tot november 2001, om weer werkritme op te kunnen doen, interim-werkzaamheden heeft verricht bij de afdeling Financiële Zaken. Bij besluit van 28 september 2001 is het einde van de herplaatsingstermijn vanwege de verrichte interim-werkzaamheden verschoven naar 1 mei 2002. Appellante is vervolgens gaan werken in de op het niveau van salarisschaal 8 gewaardeerde functie van senior-medewerker crediteuren bij de Dienst Stadsbeheer. Appellante heeft haar werkzaamheden in deze functie na korte tijd op 18 december 2001 beëindigd.

1.6. Bij besluit van gedaagde van 4 juni 2002 is aan appellante met ingang van 1 juli 2002 ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor haar betrekking anders dan op grond van ziekte of gebreken. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van gedaagde van 1 oktober 2002 gegrond verklaard, omdat ten onrechte ontslag was verleend wegens ongeschiktheid en slechts een opzegtermijn van een maand was gehanteerd. Bij dit laatste besluit is appellante met ingang van 1 augustus 2002 wegens opheffing van haar betrekking ontslag verleend op grond van artikel 8:4, eerste lid, van het Ambtenarenreglement ’s-Gravenhage. Voorts zijn bij dat besluit van 1 oktober 2002 de bezwaren tegen de brieven van 30 juli 1999, 18 augustus 1999 en 2 oktober 2000 wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard en is het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar afgewezen, omdat het bestreden besluit niet is herroepen.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechtbank) heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voorzover gericht tegen de vaststelling van de ontslagdatum op 1 augustus 2002, omdat ingevolge artikel 19, derde lid, van het SBK het ontslag pas wordt geëffectueerd nadat op bezwaar is beslist. Voorts is, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, de ontslagdatum vastgesteld op 1 oktober 2002, waarbij is bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Verder is het beroep niet-ontvankelijk verklaard voorzover gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en ongegrond verklaard voor het overige, met voorts een bepaling inzake het griffierecht.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Anders dan de rechtbank is de Raad, met gedaagde, van oordeel dat het gedeelte van gedaagdes brief van 2 oktober 2000 waartegen bij appellante bezwaren bestonden is gericht op rechtsgevolg. In die brief is - naast het bepalen van de einddatum van de bemiddelingstermijn op 30 september 2001, waartegen appellante geen bezwaar heeft gemaakt - de afspraak neergelegd dat appellante bemiddeld zou worden naar functies in en buiten de gemeente en dat zij begeleid zou worden door bureau Stobberingh. Nu het hier gaat om het schriftelijk neerleggen van afspraken omtrent de wederzijds te plegen bemiddelingsinspanningen teneinde een passende functie te vinden, als bedoeld in artikel 13, derde lid, van het SBK, was deze brief in zoverre bepalend voor de rechtspositie van appellante en hield die brief in dit opzicht een besluit in. Nu appellante alleen al in verband met haar bezwaar tegen het ontslag belang had bij een inhoudelijke beoordeling van dat besluit, heeft gedaagde appellantes daartegen gerichte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De Raad zal de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in zoverre vernietigen.

4.2. De Raad ziet voorts aanleiding, met het oog op de finale beslechting van de geschillen tussen appellante en gedaagde, een inhoudelijk oordeel te geven omtrent de bezwaren van appellante tegen het besluit van 2 oktober 2000.

4.3. Nu gedaagde al jaren zonder succes had geprobeerd appellante te herplaatsen en zich daarbij steeds strubbelingen van diverse aard voordeden, heeft gedaagde redelijkerwijs kunnen besluiten om voor het verrichten van bemiddelings- activiteiten een extern bureau in te schakelen, naar wiens aanwijzingen appellante zich zou hebben te richten, en daarbij te bepalen dat gezocht zou worden naar functies binnen en buiten de gemeente. Gelet hierop ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door appellante tegen het besluit van 2 oktober 2000 gemaakte bezwaar ongegrond wordt verklaard.

5.1. De Raad deelt het standpunt van gedaagde dat de brief van 30 juli 1999 niet is gericht op rechtsgevolg, aangezien die brief, anders dan appellante betoogt, geen beslissing omtrent haar rechtspositie bevat. Evenmin zijn uit die brief fictieve weigeringen om te beslissen omtrent die rechtspositie af te leiden. De Raad onderschrijft hetgeen gedaagde hieromtrent heeft opgemerkt in zijn aanvullend verweerschrift van 8 augustus 2002 ten behoeve van de zitting van 22 augustus 2002 van de algemene bezwarencommissie personeelsbesluiten.

5.2. De Raad is voorts van oordeel dat ook de brief van 18 augustus 1999 niet is gericht op rechtsgevolg. De Raad onderschrijft hetgeen gedaagde in voormeld verweerschrift van 8 augustus 2002 dienaangaande heeft vermeld.

5.3. Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde de bezwaren tegen deze brieven terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden bevestigd.

6.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er in dit geval geen formele bezwaren bestaan tegen de wijziging van de ontslaggrond bij de beslissing op bezwaar. De Raad verwijst naar hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. De Raad voegt hieraan nog toe dat appellante in de bezwaarprocedure genoegzaam gelegenheid heeft gehad om op de aan deze ontslaggrond ten grondslag liggende feiten en omstandigheden te reageren.

6.2. De tegen het ontslag aangevoerde grief dat geen besluit voorhanden is waaruit blijkt dat appellantes functie indertijd is opgeheven, treft geen doel. Die opheffing blijkt reeds uit gedaagdes zich onder de gedingstukken bevindende brief van

17 februari 1994, waarbij appellante als herplaatsingskandidaat is aangemerkt (zogeheten bijlage 151). Bovendien is die opheffing ook steeds het uitgangspunt geweest bij de eerdere tijdelijke plaatsingen van appellante.

6.3. Wat betreft de ondernomen herplaatsingsactiviteiten constateert de Raad aan de hand van de gedingstukken dat vanwege gedaagde vanaf begin 1994 weliswaar niet door-lopend, maar wel frequent activiteiten zijn ondernomen om tot definitieve herplaatsing van appellante te komen. In het bijzonder van belang is het traject dat begin oktober 2000 is ingezet, met de aanwijzing van het bureau Stobberingh als begeleidingsinstantie. Appellante had zich dienen te realiseren dat dit traject, dat ertoe heeft geleid dat zij eind 2001 kon gaan werken in de (in beginsel) als passend aan te merken functie van medewerker crediteuren bij de Dienst Stadsbeheer, haar laatste kans was om geplaatst te worden. Appellante heeft de werkzaamheden bij de Dienst Stadsbeheer evenwel half december 2001 op eigen initiatief, zonder dat van gegronde redenen daarvoor is gebleken, beëindigd. Appellantes stelling dat deze beëindiging plaatsvond in onderling overleg met haar coach van het bureau Stobberingh en met de toenmalige leidinggevende vindt geen steun in de gedingstukken. Zowel die coach als de personeelsfunctionaris die bij de plaatsing waren betrokken, heeft verklaard dat appellante zich volledig op eigen initiatief heeft teruggetrokken. Die coach heeft, onder de mededeling al het mogelijke te hebben gedaan om appellante naar een nieuwe functie te begeleiden, de opdracht tot begeleiding aan gedaagde teruggegeven.

Gezien vorenvermelde omstandigheden, in onderling verband bezien, is de Raad van oordeel dat gedaagde op goede gronden tot het standpunt is gekomen dat het niet mogelijk is gebleken binnen de bemiddelingstermijn die in dit geval op

1 mei 2002 eindigde en die tenminste 18 maanden dient te bedragen, waaraan ruimschoots is voldaan, voor appellante een definitieve oplossing te realiseren.

6.4. De Raad onderkent dat gedaagde alvorens met toepassing van artikel 19, eerste lid, in samenhang met artikel 13, eerste lid, van het SBK tot ontslag over te gaan advies had dienen te vragen aan een adviescommissie reorganisatie. De Raad ziet aanleiding - in aanmerking genomen dat voor deze reorganisatie, die dateert van geruime tijd voor de inwerkingtreding van het SBK, niet een adviescommissie reorganisatie was ingesteld - dit formele gebrek te passeren, nu er in de gegeven omstandigheden geen enkele aanleiding is te veronderstellen dat inschakeling van een dergelijke commissie tot een andere slotsom zou leiden.

6.5. In hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin grond te oordelen dat het wegens opheffing van de betrekking uiteindelijk met ingang van 1 oktober 2002 verleende ontslag in rechte geen stand zou kunnen houden. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden bevestigd. Gelet op het vorenstaande komt de door appellante gevorderde schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking.

7. De Raad ontwaart in al hetgeen appellante heeft aangevoerd geen belang bij haar beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar, zodat de rechtbank dat beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat inmiddels een reële beslissing was genomen.

8. Naar aanleiding van de door appellante gevorderde vergoeding van de kosten in de bezwaarprocedure merkt de Raad allereerst op dat het ontslagbesluit, vanwege de wijziging van de ingangsdatum van het ontslag van 1 juli 2002 in 1 oktober 2002, over de periode 1 juli 2002 tot 1 oktober 2002 is herroepen. De door appellante gevorderde kosten betreffen evenwel de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in de procedure inzake appellantes verzoek om een voorlopige voorziening te treffen naar aanleiding van het ontslagbesluit van 4 juni 2002. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij uitspraak van 1 augustus 2002, nr. AWB 02/2107 AW omtrent dat verzoek beslist. Met die uitspraak, waarin geen proceskosten en griffierecht aan appellante zijn toegewezen en waartegen geen hoger beroep open staat, wordt geacht tevens daaromtrent te zijn beslist, zodat die nevenvorderingen niet opnieuw bij de beoordeling van de proceskosten in de bezwaarprocedure in aanmerking kunnen worden genomen.

9. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 17,06 wegens reiskosten met het openbaar vervoer.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van appellantes bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2000 ongegrond is verklaard;

Verklaart bedoeld beroep gegrond en vernietigt de beslissing op bezwaar van 1 oktober 2002, voorzover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2000 niet-ontvankelijk is verklaard;

Bepaalt dat het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2000 ongegrond is;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding af;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 17,06, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 165,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.P. Grauss.