Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT9756

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2005
Datum publicatie
21-07-2005
Zaaknummer
03/6034 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om hogere inschaling met terugwerkende kracht tot de datum van pensionering. Strijd met regels van goede procesorde; gelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/6034 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 augustus 2003, nr. AW 02/3040 WAT, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is schriftelijk gerepliceerd. Voorts is namens hem bij brief (met bijlagen) van 19 mei 2005, na de aankondiging door de griffier van 27 april 2005 van de behandeling van het geding ter zitting, een “getuigenmededeling” gedaan. Voorts is de Raad nog bericht dat de brief van 19 mei 2005 niet gericht was op uitstel van de behandeling.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 juni 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. A.R. Koops, advocaat en procureur te Rotterdam, en door mr. drs. S.J. Brunia en D. Shafaei, beide laatsten verbonden aan het kantoor van mr. Koops. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren, werkzaam bij gedaagde.

Op verzoek van appellant is ter zitting verschenen en als getuige gehoord [naam getuige], wonende te [plaatsnaam].

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij het, door de uitspraak van de Raad van 21 juni 2001, nr. 99/310 AW, onherroepelijk geworden besluit van gedaagde van 21 oktober 1994 is appellant, die voorafgaand reeds lange tijd in dienst was van de gemeentepolitie van Rotterdam, met ingang van 1 april 1994 aangesteld in de functie van [naam functie] in salarisschaal 7. Met ingang van

1 september 1995 is appellant met zogenoemd functioneel leeftijdsontslag gegaan en met ingang van 1 september 2000 is hem pensioen toegekend.

1.2. Op 18 oktober 2001 heeft appellant het verzoek gedaan hem met terugwerkende kracht tot de datum van zijn pensionering hoger (in schaal 8) in te schalen, zoals dat ook recent bij andere medewerkers van de politieregio alsnog was gebeurd. Appellant doelde daarbij op het in de Korpskrant van 21 juli 2001 bekend gemaakte beleid van gedaagde naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 27 september 2000, nr. 98/3310 AW.

1.3. Appellants verzoek is bij besluit van 18 februari 2002 afgewezen. In het kader van het door appellant tegen die afwijzing gemaakte bezwaar is namens gedaagde aan de Bezwarencommissie rechtspositionele besluiten politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: Bezwarencommissie) een commentaar gegeven op het bezwaar van appellant en zijn nog vragen beantwoord. Overeenkomstig het advies van de Bezwarencommissie is de afwijzing gehandhaafd bij het bestreden besluit van 3 oktober 2002.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft niet alleen een inhoudelijk oordeel gegeven maar heeft bovendien, in de eerste plaats, overwogen dat zij geen aanleiding zag om het ter zitting gesloten onderzoek te heropenen omdat appellant had afgezien van het verschijnen ter zitting en het aldaar doen horen van getuigen, omdat de rechtbank een na de daarvoor gestelde termijn door gedaagde ingediend verweerschrift in het dossier heeft opgenomen.

3. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak.

3.1. In de eerste plaats is gesteld dat de rechtbank gehandeld heeft in strijd met de regels van een goede procesorde, in het bijzonder het beginsel van fair play, welke regels uitdrukking hebben gevonden in de Algemene wet bestuursrecht, in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Naar het oordeel van appellant had de rechtbank geen acht mogen slaan op het namens gedaagde op 15 juli 2003 ingezonden (tweede) verweerschrift. Niet alleen kan na sluiting van het voor-onderzoek niet alsnog een (tweede) verweerschrift worden ingezonden, ook werd dit verweerschrift eerst opgestuurd nadat de zitting al was bepaald op 29 juli 2003 en heeft appellant daarvan eerst afschrift ontvangen op 19 juli 2003, zodat geen mogelijkheid meer bestond van repliek en dupliek, aldus appellant. Namens hem is voorts uiteengezet dat de gemachtigde van gedaagde door zijn handelwijze met betrekking tot het (tweede) verweerschrift strafbare feiten heeft begaan.

3.2. Ten aanzien van de inhoudelijke beslissing is gesteld dat het om niets anders gaat dan de redelijkheid en billijkheid, de goede trouw en de normen van behoorlijk bestuur, opgewekt vertrouwen en het gelijkheidsbeginsel. Het gaat niet om volstrekt identieke gevallen, aldus appellant, maar om zelfde gevallen. Het gaat volgens hem niet aan om één man buiten te sluiten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De procedure bij de rechtbank.

4.1.1. De Raad stelt voorop dat de rechter in een procedure als door appellant aanhangig gemaakt in beginsel slechts mag beslissen aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover aan partijen voldoende gelegenheid is gegeven. Deze fundamentele regel van hoor en wederhoor heeft uiteraard ook betrekking op het kennis kunnen nemen van en adequaat kunnen reageren op stukken die kort vóór een zitting waarop zij aan de orde komen, worden overgelegd. Als het om stukken gaat waarvan de aard en omvang klaarblijkelijk geen beletsel vormen om daarvan binnen de beschikbare tijd kennis te nemen en daarop adequaat te reageren, mag de rechter aannemen dat aan deze eis is voldaan.

4.1.2. De Raad stelt vast dat gedaagde met inachtneming van de in artikel 8:58 van de Awb genoemde termijn het onder 3.1. vermelde (tweede) verweerschrift heeft ingediend. Het betreft een als verweerschrift aangeduid stuk van ruim vier bladzijden, waarvan de eerste twee een weergave bevatten van feiten en waarvan in de laatste twee met verwijzing naar enige (gepubliceerde) rechtspraak wordt gereageerd op de kort vermelde beroepsgrond (“eiser is ten onrechte als enige niet in schaal 8 geplaatst; het gelijkheidsbeginsel is hierdoor geschonden”). Eerder had gedaagde in het tegelijk met de stukken ingezonden (eerste) verweerschrift (enkel) verwezen naar zijn standpunt zoals dat tot uitdrukking is gebracht in de overgelegde op de zaak betrekking hebbende stukken. Daaronder bevindt zich het onder 1.3. vermelde uitgebreid gemotiveerde bestreden besluit alsmede het onder 1.3. vermelde commentaar van gedaagde op appellants bezwaar ten behoeve van de Bezwarencommissie. Het (tweede) verweerschrift heeft daarmee naar het oordeel van de Raad - niet veel anders dan - het karakter van een pleitnota, die voor het eerst ter zitting had kunnen worden voorgedragen en waarop appellant redelijkerwijs adequaat had kunnen reageren.

4.1.3. Appellant heeft van dit (tweede) verweerschrift aldus op een zodanig tijdstip kennis gekregen dat hij daarop ter zitting adequaat had kunnen reageren. Anders dan appellant suggereert heeft hij niet een recht om schriftelijk te repliceren (als bedoeld in artikel 8:43 van de Awb): de rechtbank kan een partij daartoe in de gelegenheid stellen.

4.1.4. De Raad ziet tot slot niet in dat appellant in aard en omvang van het (tweede) verweerschrift aanleiding had behoeven te vinden niet ter zitting van de rechtbank te verschijnen en het doen horen van de getuigen, waarvan hij reeds mededeling had gedaan, “af te blazen”.

4.1.5. De Raad is daarom van oordeel dat de rechtbank de regels van een goede procesorde niet heeft geschonden, waarbij hij geheel in het midden kan laten wat er zij van de handelwijze van gedaagde en van de mededeling aan partijen van de rechtbank dat zij van oordeel is dat het onderzoek voltooid is.

4.2. Het bestreden besluit.

4.2.1. Appellant heeft zijn aanvraag primair gebaseerd op het onder 1.2. vermelde beleid. Gedaagde heeft bepaald dat hogere inschaling met terugwerkende kracht geschiedt bij (slechts) die medewerkers die onder volledig vergelijkbare omstandigheden volledig vergelijkbare besluiten hebben gehad waartegen zij geen rechtsmiddel hebben aangewend of die althans niet hebben doorgeprocedeerd tot aan de Raad, als de ambtenaar bedoeld in de onder 1.2. vermelde uitspraak van de Raad van 27 september 2000. Zoals ook blijkt uit het standpunt van appellant zelf, is de situatie van appellant niet een volledig vergelijk-baar geval als door gedaagde bedoeld. De afwijzing door gedaagde - en de instandlating daarvan door de rechtbank - berust dan ook op goede gronden.

4.2.2. De Raad kan de rechtbank volgen in haar oordeel dat de weigering van gedaagde om terug te komen van de eerdere in rechte onaantastbaar geworden bezoldigings-beslissing slechts terughoudend kan worden getoetst en dat die weigering deze toetsing kan doorstaan. Hetgeen namens appellant in dat verband, samengevat onder 3.2., is aangevoerd, brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

5. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) L.N. Nijhuis.

Q.