Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT9599

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
21-07-2005
Zaaknummer
03/2221 REA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen vergoeding kosten van de gevolge computeropleiding, omdat met redelijke mate van zekerheid niet viel te verwachten dat met de gevraagde opleiding een adequate compensatie kon worden verkregen voor het door appellant’s handicap veroorzaakte verlies aan verdiencapaciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

P R O C E S - V E R B A A L

van de mondelinge uitspraak op 29 juni 2005

van de meervoudige kamer

CENTRALE RAAD VAN BEROEP

Zitting hebben: mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter, mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert, als leden en M. Pijper als griffier.

2e Zaak, reg.nr: 03/2221 REA

Inzake: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, verschenen bij gemachtigde mr. H.J.A.B. Bellemakers.

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde, verschenen bij gemachtigde

J.M. Aarts.

Bij het bestreden besluit van 6 juni 2002 heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat de kosten van de door appellant gevolge computeropleiding, in het kader van artikel 22 van de wet Reïntegratie Arbeidsgehandicapten (Wet Rea), niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat de gevraagde opleiding geen reële kans geeft op duurzame inschakeling in het arbeidsproces.

De rechtbank Breda heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 23 april 2003,

reg.nr. 02/1350 REA, ongegrond verklaard en heeft hiertoe onder meer als volgt overwogen;

“Het ontbreken van duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden is blijkens onderzoek van de verzekeringsarts, in het kader van de aanvraag tot voorziening in de kosten van de computeropleiding, een gevolg van in eiser gelegen factoren in relatie tot zijn psychiatrische aandoening. De door de verzekeringsarts genoemde problematiek heeft onder meer in 1990, 1992 en 2002 geleid tot het oordeel dat eiser niet beschikt over duurzame arbeidsmogelijkheden en is dus al lange tijd aanwezig. Door eiser is geen medische informatie naar voren gebracht, waaruit volgt dat verweerder niet mocht afgaan op de recente rapportage van de verzekeringsarts. De beperkingen van eiser kunnen niet worden verholpen met een computercursus. Het verrichten van vrijwilligerswerk kan in het geval van eiser, mede gelet op de rapportage van de arbeidsdeskundige van

27 februari 2002, niet worden aangemerkt als een opstap naar de vrije arbeidsmarkt. Voorts blijkt uit de door eiser ingevulde verzekeringsgeneeskundige vragenlijst bij punt 3 dat eiser zichzelf niet in staat acht tot het verrichten van werkzaamheden in het vrije bedrijf. Verweerder kon er dus vanuit gaan dat de computeropleiding geen reële kans geeft op duurzame reïntegratie en heeft dit uitgangspunt voldoende toegelicht.”.

De Raad heeft, gelet op de van toepassing zijnde regelgeving, in hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank niet te volgen.

Ook de Raad is van oordeel dat ten tijde in geding niet met de voor de toepassing van artikel 22 van de Wet Rea vereiste redelijke mate van zekerheid viel te verwachten dat met de gevraagde opleiding een adequate compensatie kon worden verkregen voor het door appellant’s handicap veroorzaakte verlies aan verdiencapaciteit. Vrijwilligerswerk wat appellant verricht en beoogt (in verband met zijn geringe stressbestendigheid en zijn afkeer van autoriteit) verdient op zich zelf waardering; dit laat evenwel onverlet dat blijkens de gedingstukken ten tijde in geding geen sprake was van een reëel uitzicht op duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden in het vrije bedrijfsleven, als bedoeld in artikel 22 van de Wet Rea.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten

De Raad beslist daarom als volgt.

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Waarvan proces-verbaal.

Utrecht, 29 juni 2005

De plv. griffier. De fungerend voorzitter.

M. Pijper mr. M.I. ‘t Hooft