Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT9326

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2005
Datum publicatie
14-07-2005
Zaaknummer
05-3458 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Niet voldaan aan woonverplichting brandweer. Strafontslag. Aanvraag voorlopige voorziening wegens financiële situatie. Geen schorsende werking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3458 AW-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

Inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het Dagelijks Bestuur van de Brandweer [naam regio], gedaagde.

I. INLEIDING

Namens verzoeker is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda, van 25 maart 2005, nrs. 05/581 AW VV, 05/583 AW VV, 05/248 AW en 05/246 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Voorts heeft verzoeker verzocht om met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 27 juni 2005, waar verzoeker in persoon is verschenen bijgestaan door

mr. N.D.R. Toirkens, werkzaam bij UJG Velo Advocaten te Utrecht. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I.C.W. Overduin, werkzaam bij de gemeente [naam gemeente] en N.C.J.C. Koolen en P.C. Claus, werkzaam bij de Brandweer [naam regio].

II. MOTIVERING

1. Voor de beoordeling van het onderhavige verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Met ingang van 1 september 2002 is verzoeker aangesteld bij de brandweer [naam regio], in de functie van medewerker [naam functie] in de rang van [naam rang]. Op deze functie rust een zogenoemde woonverplichting. Bij zijn aanstelling is verzoeker daarom een verhuisplicht opgelegd, inhoudende dat hij zich binnen twee jaar na indiensttreding binnen de grenzen van de gemeente [naam regio] dient te vestigen. Verzoeker is met deze verplichting akkoord gegaan.

1.2. Van oktober 2003 tot en met februari 2004 is verzoeker in verband met ziekte niet in staat geweest zijn werk als brandweerman te verrichten.

1.3. Bij brief van 7 juli 2004 heeft gedaagde verzoeker meegedeeld dat hij vernomen heeft dat verzoeker (nog) niet is verhuisd en dat verzoeker heeft aangegeven ook niet voornemens te zijn voor 1 september 2004 te verhuizen. Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde meegedeeld dat hij reden ziet om tot ontslagverlening over te gaan, indien verzoeker op

1 september 2004 (nog) niet is verhuisd.

1.4. Hierop heeft verzoeker bij brief van 15 juli 2004 verzocht hem te ontheffen van zijn woonverplichting. Gedaagde heeft dit verzoek bij besluit van 4 augustus 2004 geweigerd. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

In het besluit van 4 augustus heeft gedaagde tevens het voornemen geuit over te gaan tot het opleggen van de straf van ongevraagd ontslag, aangezien verzoeker zich, naar gedaagdes oordeel, schuldig maakt aan plichtsverzuim indien hij op

1 september 2004 niet heeft voldaan aan zijn woonverplichting.

1.5. Nadat verzoeker in de gelegenheid was gesteld zijn zienswijze te geven over dit voornemen, heeft gedaagde bij besluit van 9 september 2004 zijn voornemen uitgevoerd. Ook tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

1.6. Bij afzonderlijke besluiten van 17 januari 2005 heeft gedaagde de bezwaren van verzoeker, in afwijking van het advies van de bezwarencommissie ambtenarenzaken, ongegrond verklaard en zowel de weigering verzoeker te ontheffen van zijn woonverplichting als het strafontslag gehandhaafd.

1.7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86 van de Awb het ingestelde beroep ongegrond verklaard en de gevraagde voorziening afgewezen. Het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening heeft uitsluitend betrekking op de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen het gehandhaafde ontslag ongegrond is verklaard.

2.1.1. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de aangevallen uitspraak in zoverre in hoger beroep geen stand zal houden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat gedaagde hem geen disciplinaire straf kon opleggen omdat geen sprake is van plichtsverzuim. Verzoeker heeft zich steeds bereid verklaard te verhuizen en heeft, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank en gedaagde beweren, tijdig om uitstel van de verhuisplicht verzocht.

Daarnaast stelt verzoeker zich op het standpunt dat gedaagde in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel. Een aantal van zijn collega’s, waaronder de commandant, woont niet binnen de gemeentegrenzen van [naam regio]. Op hen rust kennelijk geen verhuisplicht en zij zijn niet bedreigd met strafontslag. Het argument van gedaagde dat deze collega’s binnen een bereikbaarheidsgrens van 15 minuten van de kazerne wonen acht verzoeker niet houdbaar. Volgens de snelste route die de ANWB-route planner aangeeft, blijkt dat deze collega’s een reistijd van woonadres naar brandweer- kazerne hebben, die meer dan 15 minuten bedraagt.

Tot slot heeft verzoeker benadrukt dat hij nog altijd bereid is te verhuizen. Dat hij dat tot op heden nog niet heeft gedaan houdt sterk verband met zijn ziekte, die gepaard ging met vermoeidheidsverschijnselen als gevolg van bestraling waardoor hij er emotioneel niet aan toe was de beschermde omgeving te verlaten. Gedaagde heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden, aldus verzoeker.

2.1.2. Verzoeker stelt voorts dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat hem een werkloosheidsuitkering is geweigerd en hij zich in een nijpende financiële situatie bevindt. Voorts vreest hij dat zijn werkplek bij de brandweer wordt vergeven, zodat terugkeer feitelijk onmogelijk wordt.

2.2. Gedaagde heeft aangegeven dat verzoeker tot aan de bezwaarfase nooit een spoor van bereidheid heeft getoond om te verhuizen. Een formeel verzoek om uitstel van de verhuisplicht is nooit ingediend. Tevens bestrijdt hij dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Maatgevend voor het bepalen van de reistijd is de CD-foon gids van KPN. Volgens deze routeplanner wonen de door verzoeker genoemde collega’s binnen 15 minuten reistijd van de dichtstbijzijnde brandweerkazerne.

Gedaagde stelt dat hij het vertrouwen in verzoeker heeft verloren en is van mening dat terugkeer naar het brandweerkorps niet meer mogelijk is ook niet indien hij alsnog verhuist.

3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voorzover in deze procedure een oordeel met betrekking tot het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, draagt dit oordeel een voorlopig karakter en is niet bindend voor de uitspraak in de hoofdzaak.

3.2. Gelet op de financiële situatie van verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter moet vervolgens de vraag beantwoorden of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de Raad in de hoofdzaak zal oordelen dat de aangevallen uitspraak voorzover hier aan de orde niet in stand zal kunnen blijven.

3.3. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verzoeker een hem opgelegde verplichting niet is nagekomen, door niet te verhuizen binnen twee jaar na zijn indiensttreding. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim. Gelet hierop was gedaagde bevoegd een disciplinaire straf op te leggen. Vervolgens is aan de orde de vraag of gedaagde bij afweging van alle belangen in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kon maken en of de opgelegde straf van ongevraagd ontslag niet onevenredig is. Bij de beantwoording van deze vraag komt het verzoek om ontheffing van de woonverplichting in beeld.

3.4. Met betrekking tot de woonverplichting bepaalt het van toepassing zijnde Reglement Arbeidsvoorwaarden Regionale Organisaties Westelijk Noord-Brabant dat een ambtenaar de verplichting kan worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te wonen. Voor de brandweer [naam regio] is daartoe als woongebied aangewezen het grondgebied dat wordt gevormd door het grondgebied van de gemeenten die deel uitmaken van de gemeenschappelijke Regeling brandweer [naam regio].

Daarnaast voert gedaagde het bestendige beleid dat een brandweermedewerker ook buiten de gemeentegrenzen van [naam regio] mag wonen mits hij binnen 15 minuten de dichtstbijzijnde kazerne kan bereiken. Voor de berekening van de reistijd maakt gedaagde steeds gebruik van de routeplanner van de CD-foon gids van KPN. Gedaagde heeft verklaard dat er op het vereiste van 15 minuten reistijd uit veiligheids-oogpunt geen uitzonderingen worden gemaakt.

Vaststaat dat verzoeker buiten de gemeentegrenzen van [naam regio] en op 19 minuten (derhalve meer dan 15 minuten) van de voor hem dichtstbijzijnde kazerne woont. Gelet op het door gedaagde gehanteerde beleid komt hij niet in aanmerking voor ontheffing en diende hij te verhuizen.

3.5. Dat verzoeker geruime tijd wegens ziekte arbeidsongeschikt is geweest kan, maakt dat niet anders. Verzoeker was sedert februari 2004 weer arbeidsgeschikt en heeft vervolgens nog ruimschoots de tijd gehad om te verhuizen en zodoende aan de woonverplichting te voldoen.

3.6. Het argument dat verzoeker tijdig om uitstel van de verhuisverplichting heeft verzocht, treft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen doel. Weliswaar blijkt uit de door verzoeker overgelegde stukken dat er over uitstel is gesproken, maar niet is gebleken dat verzoeker aan de daartoe geëigende autoriteit een formeel verzoek om uitstel heeft ingediend, zodat gedaagde zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker niet om uitstel heeft verzocht.

3.7. Het beroep dat verzoeker heeft gedaan op schending van het gelijkheidsbeginsel kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen. Nu verzoeker zijn bewering heeft gestaafd op de uitkomsten van een andere routeplanner dan de routeplanner die voor gedaagde maatgevend is, heeft hij onvoldoende aangetoond dat er sprake is van gelijke gevallen. De vergelijking met de brandweercommandant gaat reeds daarom niet op, omdat de commandant geheel andere taken heeft dan de medewerkers in de executieve dienst.

3.8. Uit het vorenstaande volgt dat de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel is dat gedaagde tot gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een disciplinaire straf mocht overgaan. Gelet op het grote belang van de paraatheid van de brandweer in geval van alarm, acht de voorzieningenrechter de straf van ongevraagd ontslag niet onevenredig. Dit spreekt te meer nu verzoeker bij brief van 7 juli 2004 nadrukkelijk is gewezen op een mogelijke ontslag indien hij niet aan de woonverplichting zou voldoen. De voorzieningenrechter acht het niet waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak voorzover hier aan de orde geen stand zal houden in de hoofdzaak. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.

4. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Wijst af het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb.

Aldus gegeven door mr. K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2005.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.