Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT9228

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2005
Datum publicatie
14-07-2005
Zaaknummer
05-2018 AW-VV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2005:AS7461
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag. Geen spoedeisend belang bij schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak: Het in opdracht van de rechtbank nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar en het verstrekken van de door de rechtbank vastgestelde vergoedingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2018 AW-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. INLEIDING

Namens verzoeker is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 16 februari 2005,

nr. 03-1725 AW 229, waarnaar hierbij wordt verwezen. Tevens heeft verzoeker verzocht om met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen ertoe strekkende dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst totdat op het hoger beroep zal zijn beslist.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 17 mei 2005. Verzoeker heeft zich daar laten vertegenwoordigen door

mr. J.W. Ahlers en mr. E.J. Daalder, advocaat te ‘s-Gravenhage. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. H. Th. Schravenmade, advocaat te Maarssenbroek.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Gedaagde was vanaf 1 oktober 1994 werkzaam als rechercheur C (schaal 9) bij de [naam werkgever] van verzoekers Ministerie. In 1998 heeft gedaagde samen met zijn collega De W. de ambtelijke top van verzoekers Ministerie ingelicht over een vermoeden van een misstand rond het handelen van Van der L., toenmalig directeur van de [naam werkgever]. In december 1998 is aan Van der L. ontslag verleend. Bij brief van 3 maart 1999 is namens verzoeker aangifte gedaan jegens Van der L. bij het Openbaar Ministerie.

2.2. In verband met de stellingname van gedaagde met betrekking tot de vermeende misstanden bij de [naam werkgever] was er een moeizame relatie ontstaan tussen gedaagde en zijn collega’s bij de [naam werkgever], hetgeen heeft geleid tot detachering van gedaagde bij het Bureau van de Secretaris Generaal (BSG) per 1 januari 1999. Gedaagde heeft zich op

12 februari 1999 ziek gemeld. Omdat de bedrijfsarts gedaagde arbeidsgeschikt achtte, gedaagde niet wenste terug te keren naar het BSG en terugkeer op zijn eigen werkplek niet wenselijk werd geacht, is gedaagde ontheffing verleend van de verplichting op de werkplek te verschijnen.

2.3. Op 1 juni 1999 heeft gedaagde met de toenmalig Minister een onderhoud gehad waarbij hem is medegedeeld dat zijn gedragingen als te goeder trouw, integer en naar behoren werden beschouwd en hij van zijn handelen geen nadeel mocht ondervinden. Gedaagde heeft vervolgens f 50.000,- aan immateriële schadevergoeding, een kwaliteitsbevordering naar schaal 11, bijzonder verlof tot 1 oktober 2000 en hulp bij het zoeken van een functie buiten het Ministerie, gevorderd.

2.4. Bij besluit van 28 april 2000 is gedaagde, ter uitvoering van een aan hem in augustus 1999 door de toenmalig ambtsdrager gedane toezegging, met terugwerkende kracht tot 1 juni 1999 een bevordering naar schaal 10 verleend.

2.5. In mei 2000 is gedaagde door middel van een memo, gericht aan de medewerkers bij [naam werkgever], gerehabiliteerd. In de periode van mei tot en met september 2000 is via mediation getracht gedaagde terug te laten keren naar zijn oude werkplek. De mediation is niet succesvol gebleken.

2.6. Gedaagde heeft op 21 september 2000 een bevordering naar schaal 11 gevorderd omdat zijn collega-rechercheurs inmiddels waren bevorderd naar schaal 10 en er derhalve in feite geen sprake meer was van een ter genoegdoening verleende persoonlijke kwaliteitsbevordering. Voorts wenste gedaagde een bedrag van f 50.000,- aan immateriële schadevergoeding te ontvangen. Na diverse gesprekken zijn verzoeker en gedaagde overeengekomen dat gedaagde met ingang van 1 januari 2001 voor vier jaar gedetacheerd werd bij het [werkgever 2], hij de eis tot bevordering naar schaal 11 introk en hij een bedrag van f 112.050,00 uitbetaald zou krijgen. Op 7 september 2001 heeft gedaagde van verzoeker plaatsing in een functie op het niveau van schaal 11 of 12 verlangd. De detachering bij het [werkgever 2] is in verband met het ontstaan van een conflictueuze situatie vroegtijdig beëindigd in februari 2002. Gedaagde heeft zich ziek gemeld en heeft sindsdien geen werkzaamheden meer verricht.

2.7. Bij besluit van 5 februari 2003 is gedaagde met ingang van 1 april 2003 op grond van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) eervol ontslag verleend onder toekenning van een door verzoeker redelijk geachte voorziening. Het door gedaagde tegen het ontslagbesluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 november 2003, hersteld bij besluit van 1 december 2003, ongegrond verklaard onder wijziging van de ingangsdatum van het ontslag in 1 januari 2004.

2.8. De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het besluit van 4 november 2003 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat verzoeker met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. De rechtbank was van oordeel dat er sprake was van duurzaam verstoorde arbeidsverhoudingen zodat verzoeker bevoegd was gedaagde op grond van artikel 99 ARAR eervol te ontslaan. Voorts was de rechtbank van oordeel dat de bij het ontslag getroffen (financiële) regeling is gebaseerd op een onjuiste waardering van de omstandigheden zodat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust. Zij heeft hiertoe overwogen dat gedaagde geen belangrijk aandeel heeft gehad in het ontstaan van het conflict doch alleen in het voortbestaan daarvan. Voorts is door verzoeker ten onrechte het standpunt ingenomen dat gedaagde een reële kwaliteitsbevordering heeft gehad. De rechtbank achtte het redelijk dat gedaagde wordt gecompenseerd voor het gebrek aan steun door verzoeker in de periode vóór 1 juni 1999 en voor de feitelijk niet gerealiseerde toezegging strekkende tot een kwaliteitsbevordering.

3. Ten betoge van zijn spoedeisend belang bij schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak heeft verzoeker aangevoerd dat hij op grond van de aangevallen uitspraak genoodzaakt is met inachtneming van die uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen en gedaagde alsnog de door de rechtbank vastgestelde vergoedingen te verstrekken. Indien de Raad verzoeker in het hoger beroep in het gelijk stelt zal het ten onrechte aan gedaagde betaalde teruggevorderd moeten worden terwijl er rekening mee moet worden gehouden dat dit niet mogelijk is. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid geen stand zal houden. Voorts stelt verzoeker dat in de vergelijkbare zaak van collega De W. door een andere rechtbank een geheel andere uitspraak is gedaan. Indien verzoeker de vergoedingen aan gedaagde toekent zou het gelijkheidsbeginsel echter met zich brengen dat een zelfde besluit ten aanzien van De W. moet worden genomen.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter onder verwijzing naar zijn uitspraak van 27 augustus 1998,

LJN AA8550, TAR 1998, 174, dat de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar het oordeel van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven op zichzelf niet een voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als de onderhavige uitdrukkelijk geen schorsende werking willen toekennen en daarmee het risico van mogelijke problemen bij de naleving van een in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan gelegd. Weliswaar zijn er gevallen denkbaar waarin bij uitvoering van een uitspraak betrokken belangen dermate zwaarwegend zijn, dat aan de hand van een voorlopig oordeel omtrent de mate van waarschijnlijkheid dat die uitspraak in stand zal blijven wordt bezien of voor doorbreking van het door de wetgever gewenste stelsel in het concrete voorliggende geval aanleiding bestaat, doch daarvan is in dit geval geen sprake.

4.3. Allereerst kan door de voorzieningenrechter niet worden ingezien dat het in opdracht van de rechtbank nemen van een nieuw besluit in dit concrete geval ertoe noopt ook in het geval van De W. een nieuw besluit te nemen. Voor de vraag of (ook) in dit laatste geval een nieuw besluit dient te worden genomen, is immers beslissend de uitspraak van de Raad op het door De W. tegen de desbetreffende rechtbankuitspraak ingestelde hoger beroep. Voorts is niet aannemelijk dat uitvoering van de aangevallen uitspraak, door het nemen van een besluit ten aanzien van immateriële schadevergoeding en een kwaliteitsbevordering, leidt tot voor verzoeker onoverkomelijke (financiële) problemen of onverantwoorde risico’s in geval van een voor hem gunstige uitspraak in de hoofdzaak. Onverschuldigd betaalde bedragen kunnen immers in beginsel onmiddellijk en geheel van gedaagde worden teuggevorderd. Daarbij acht de voorzieningenrechter het van belang dat door verzoeker niet aannemelijk is gemaakt dat gedaagde niet in staat zal zijn aan zijn terugbetalingsverplichtingen te voldoen. Overigens dient gedaagde er rekening mee te houden dat in geval het hoger beroep van verzoeker slaagt tot terugvordering van alsdan onverschuldigd aan hem betaalde bedragen zal worden overgegaan.

5. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Beslist wordt daarom als volgt.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Aldus gegeven door mr. J.Th. Wolleswinkel als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2005.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) L.N. Nijhuis.