Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT9178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2005
Datum publicatie
12-07-2005
Zaaknummer
04/1452 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verlenging tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd; draaideurconstructie.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 6, geldigheid: 2005-07-07
Algemeen Rijksambtenarenreglement 6, geldigheid: 2005-07-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2005/368 met annotatie van Jellinghaus
TAR 2005/138

Uitspraak

04/1452 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Minister van Justitie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 februari 2004, nr. 03/290 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 mei 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. van Meer, werkzaam bij het parket-generaal van het Openbaar Ministerie en J. Molema, werkzaam bij het arrondissementsparket Leeuwarden van het Openbaar Ministerie.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. In aansluiting op een in het kader van artikel 23 van de Wet Reïntegratie arbeidsgehandicapten aan appellante verleende werkervaringplaats van zes maanden als 'huisdame' bij het Arrondissementsparket te Leeuwarden (hierna: het parket), is appellante voor het verrichten van werkzaamheden, waarvoor slechts een tijdelijk beroep op de arbeidsmarkt kan worden gedaan, bij besluit van 16 augustus 1999 voor de periode van 13 september 1999 tot 13 september 2000 voor 20 uur per week aangesteld in de functie van medewerker callcentre bij dit parket. Bij besluiten van 7 september 2000 en 23 augustus 2001 is deze aanstelling telkens voor de periode van één jaar verlengd.

1.2. Bij besluit van 3 juni 2002 is aan appellante medegedeeld dat haar op 13 september 2002 eindigende (derde) tijdelijke aanstelling niet zou worden omgezet in een vast dienstverband. Het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 februari 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het namens appellante tegen het bestreden besluit ingesteld beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen - samengevat - dat de aan de drie aanstellingsbesluiten voorafgegane werkervaringsovereenkomst van 6 maanden niet is aan te merken als een aanstelling in de zin van het ARAR omdat daaraan niet een desbetreffend besluit van het bevoegd gezag ten grondslag heeft gelegen. Voorts oordeelde de rechtbank dat de laatste tijdelijke aanstelling van appellante door het verstrijken van de duur van de aanstelling van rechtswege is geëindigd op 13 september 2002. Voorts is het niet verlengen van die aanstelling niet in strijd met enig algemeen verbindend voorschrift of met enig algemeen rechtsbeginsel.

3.1. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de door haar op basis van de werkervaringsovereenkomst verrichte werkzaamheden gezien moeten worden als het op een andere titel dan een aanstelling verrichten van dezelfde werkzaamheden voorafgaande aan een door gedaagde verleende tijdelijke aanstelling binnen zijn gezagsbereik, zoals bedoeld in het zevende lid van artikel 6 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

3.2. Voorts is betoogd dat het niet verlengen van de tijdelijke aanstelling dan wel het niet omzetten daarvan in een vast dienstverband in strijd is met het vertrouwensbeginsel omdat appellante aan een brief van een personeelsfunctionaris van 26 augustus 2002, inhoudende dat appellante naar aanleiding van de vaststelling van het formatieplan met ingang van 1 juni 2002 geplaatst was als medewerker call-centre, het gerechtvaardigd vertrouwen kon en mocht ontlenen dat haar aanstelling wel zou worden voortgezet.

4. Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1.1. Volgens vaste jurisprudentie vloeit uit de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld voort dat het bestuursorgaan niet gehouden is die aanstelling na afloop van de gestelde termijn te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling, tenzij er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, dan wel het niet verlengen in strijd zou komen met enige regel van ongeschreven recht.

5.1.2. Krachtens artikel 6, zesde lid, van het ARAR geldt de aanstelling in tijdelijke dienst als een aanstelling in vaste dienst vanaf de dag waarop:

a. door de betrokken minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;

b. meer dan drie door de betrokken minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden.

5.1.3. Ingevolge artikel 6, zevende lid, van het ARAR is het zesde lid van overeenkomstige toepassing, indien de ambtenaar voorafgaande aan een door de betrokken minister verleende aanstelling in tijdelijke dienst dan wel tussen twee door de betrokken minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst binnen zijn gezagsbereik op een andere titel dan een aanstelling dezelfde werkzaamheden heeft verricht.

5.1.4. De Raad onderkent dat 'het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder een andere titel' op zichzelf een ruim begrip is. Aan de Nota van Toelichting bij het besluit van 13 november 1999 (Stb. 1999, 491) tot invoering van bovenvermelde artikelleden - destijds de leden drie en vier van artikel 6 - ontleent de Raad het volgende:

"Artikel 6, vierde lid, regelt een verbod op de zogenaamde «draaideurconstructie». Het vierde lid ziet bijvoorbeeld op de situatie, dat tussen twee tijdelijke aanstellingen een ambtenaar via een uitzendbureau wordt ingehuurd om dezelfde werkzaamheden binnen dezelfde organisatie te verrichten. Ook valt hieronder de volgende detacherings-constructie: na verloop van een tijdelijke aanstelling wordt een persoon aangesteld door een ander bevoegd gezag, dat deze persoon uitleent aan het oorspronkelijk bevoegd gezag.".

5.1.5. De Raad leidt hieruit af dat het bij 'dezelfde werkzaamheden onder een andere titel' moet gaan om loonvormende arbeid binnen een arbeidsverhouding. Naar het oordeel van de Raad kan de in dit geval tussen partijen gesloten werkervaringsovereenkomst niet worden aangemerkt als een arbeidsverhouding in de hiervoor bedoelde zin. Die overeenkomst verplichtte appellante als werkervaringsnemer immers niet tot arbeid, maar uitsluitend tot het zich houden aan de in het belang van de orde, veiligheid en gezondheid gegeven wettelijke regels, voorschriften en aanwijzingen van de werkervaringsgever en begeleidende organisatie. Daarenboven zijn de te verrichten werkzaamheden niet loonvormend en is in de overeenkomst vastgelegd dat er door de werkervaringsgever geen vergoeding aan de werkervaringsnemer zal worden gegeven als tegenprestatie voor de werkzaamheden. Tenslotte is van belang dat er tussen de werkervaringsgever en werkervaringsnemer niet werkelijk sprake is van een gezagsverhouding, nu die werkervaringsnemer op basis van de overeenkomst door de werkervaringsgever niet verplicht kan worden tot het verrichten van arbeid.

5.1.6. Gelet op de hiervoor omschreven vrijblijvende aard van de werkervarings-overeenkomst oordeelt de Raad dat de - laatste - tijdelijke aanstelling van appellante niet op grond van artikel 6, zesde en zevende lid, van het ARAR per 13 september 2002 als een vaste aanstelling is komen te gelden.

5.2. De Raad kan appellante evenmin volgen in de stelling dat zij aan de brief van de personeelsfunctionaris van 26 augustus 2002 het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat aan haar een vaste aanstelling zou worden verleend. In genoemde brief is niet een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging neergelegd dat aan appellante, in weerwil van de in het daaraan voorafgegane besluit van 3 juni 2002 aangekondigde beëindiging van de aanstelling, nogmaals een verlenging van de aanstelling verleend zou worden, nu in die brief slechts sprake is van het naar aanleiding van het formatieplan vastgestelde plaatsingsbesluit, de functiebeschrijving en de functiewaardering per 1 juni 2002. Een soortgelijke brief is ook aan de andere medewerkers van het parket gezonden.

6. Op grond van het vorenoverwogene is de Raad, evenals de rechtbank, tot het oordeel gekomen dat gedaagde niet gehouden was de aanstelling van appellante per 13 september 2002 te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, bevestigen.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.