Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT9176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2005
Datum publicatie
12-07-2005
Zaaknummer
04/1519 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onzorgvuldige sollicitatieprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1519 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Staatssecretaris van Financiën, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2004, nr. AWB 02/1586 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Gedaagde heeft nadien nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 mei 2005, waar namens appellant is verschenen L.P. de Jonge, werkzaam bij het Ministerie van Financiën. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B.R. Kuijlman, werkzaam bij CNV Publieke Zaak.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Gedaagde was ten tijde hier van belang werkzaam bij de Belastingdienst, Ondernemingen (Amsterdam 2), als groepsfunctionaris C. Op 18 januari 2001 heeft hij gesolliciteerd naar een functie gelegen op het niveau van groepsfunctie E. Nadat omtrent gedaagde een positief voorselectie-advies was uitgebracht, waaruit bleek dat hij over het vereiste denkniveau beschikte, is gedaagde uitgenodigd voor een selectiegesprek op 20 november 2001. Bij besluit van 21 november 2001 is gedaagde afgewezen voor de door hem geambieerde functie. Dit besluit is gehandhaafd bij het bestreden besluit van 25 februari 2002.

2. De rechtbank heeft dit besluit bij de aangevallen uitspraak vernietigd, daartoe overwegende dat deze sollicitatieprocedure dermate onzorgvuldig is verlopen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft in verband hiermee de inhoudelijke vraag of appellant gedaagde terecht ongeschikt heeft geacht voor de geambieerde functie, buiten bespreking gelaten. Gedaagde is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3. Appellant heeft niet betwist dat het bestreden besluit ten onrechte mede is gemotiveerd met de overweging dat gedaagde niet aan de vooropleidingseis voldeed. In zoverre acht appellant de vernietiging van het bestreden besluit dan ook terecht. Hij bestrijdt de overige door de rechtbank gesignaleerde onzorgvuldigheden en meent dat de rechts-gevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven, omdat hij in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat gedaagde wat betreft flexibiliteit en contactgericht-heid niet aan de functie-eisen voldeed.

4. Met betrekking tot hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

4.1. De Raad deelt niet het oordeel van de rechtbank dat gedaagde ten onrechte niet is gehoord. Appellant heeft uit het telefoongesprek met gedaagde, waarvan de letterlijke weergave zich onder de gedingstukken bevindt, kunnen afleiden dat gedaagde er geen prijs meer op stelde nog te worden gehoord, maar zo spoedig mogelijk een besluit wilde.

4.2. De Raad onderschrijft voorts niet de constatering van de rechtbank dat niet ondenkbaar is dat sprake was van vooringenomenheid van de selectiecommissie, bestaande uit drie personen. Gedaagde heeft dit wel gesteld, door aan te voeren dat twee van de drie personen betrokken zijn geweest bij eerdere beroepszaken van gedaagde, maar daarmee acht de Raad zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Ter zitting van de Raad is duidelijk geworden dat ten minste een van de twee voorheen werkzaam is geweest op dezelfde afdeling (Amsterdam 2) als gedaagde, en dat mag worden aange-nomen dat hij weet had van het feit dat gedaagde in een beroepsprocedure tegen zijn werkgever was verwikkeld. Bij gebrek aan andere aanwijzingen kan uit dat enkele feit echter niet volgen dat deze persoon niet objectief over gedaagde heeft kunnen adviseren.

4.3. De constatering dat deze sollicitatieprocedure te lang heeft geduurd kan worden onderschreven. Met een vernietiging van het bestreden besluit om die reden is gedaagde echter in geen enkel opzicht gebaat en met de opdracht een nieuw besluit op bezwaar te nemen kan dat gebrek ook niet worden geheeld.

4.4. Met gedaagde kan worden vastgesteld dat het oordeel van de selectiecommissie dat gedaagde op het gebied van flexibiliteit en contactgerichtheid beneden gemiddeld scoort, niet overeenkomt met de in de loop der jaren omtrent gedaagdes functioneren op deze punten vastgestelde beoordelingen. Aan appellant kan weliswaar worden toegegeven dat deze beoordelingen betrekking hadden op het functioneren van gedaagde in groepsfunctie C, doch niet valt in te zien dat in groepsfunctie E ten aanzien van deze gezichtspunten aanmerkelijk hogere of andere eisen worden gesteld. De Raad acht dit met name van belang omdat de beoordelingen zijn vastgesteld nadat gedaagdes functioneren gedurende een langere periode is bezien, terwijl de selectiecommissie uitsluitend op basis van één gesprek met gedaagde tot haar oordeel komt. De Raad moet voorts vaststellen dat appellant ook thans nog niet is gekomen met een nadere onderbouwing van dat oordeel, bijvoorbeeld door middel van overlegging van het selectieadvies.

4.5. De Raad wijst er voorts op dat in het bestreden besluit een passage is opgenomen die luidt als volgt:

“Bij brief van 10 september 2001 is u meegedeeld dat uw sollicitatie niet verder in behandeling wordt genomen om de volgende redenen: De selectiecommissie heeft besloten u af te wijzen voor de geambieerde functie. De reden hiervoor is gelegen in de indrukken die opgedaan zijn door de selectiecommissie gedurende het gehele gesprek, doch met name een te geringe contactgerichtheid en een matige flexibiliteit voldoet niet aan de functie-eisen welke gesteld zijn voor de vacature. U bent niet in het bezit van een MEAO-diploma dan wel bent u niet in de laatste fase van de studie MEAO. Op basis van het vorenstaande wordt vastgesteld dat u volgens het hoofd van de eenheid niet voldoet aan de functievereisten: vooropleiding op MBO-niveau (in economisch-administratieve richting) en de gehanteerde selectiecriteria in het sollicitatiegesprek.”.

De Raad acht die passage onbegrijpelijk. Gedaagde heeft nimmer een brief gedateerd 10 september 2001 ontvangen. Appellant heeft verklaard dat met betrekking tot voor-melde datum sprake is van een typefout, maar de Raad acht alles bijeengenomen niet uitgesloten dat het bestreden besluit tot stand is gekomen op basis van verkeerde gegevens. Dit klemt te meer nu bij nader inzien het standpunt wordt ingenomen dat gedaagde wèl voldoet aan het vereiste opleidingsniveau en derhalve één van de gehanteerde afwijzingsgronden is komen te vervallen. Gelet op hetgeen omtrent de resterende afwijzingsgrond in 4.4. is overwogen kan de alleen daarop gebaseerde afwijzing geen stand houden.

5. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad geen aanleiding om de gevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Appellant zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen, zoals ook de rechtbank al had uitgesproken. Appellant zal daarbij acht moeten slaan op hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen. Het hoger beroep slaagt niet. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht wordt geheven van € 414,-.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) J.P. Grauss.