Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT9125

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2005
Datum publicatie
12-07-2005
Zaaknummer
04/4906 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4906 AW

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 november 2001, nr. 99/5035 AW.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verzoeker heeft verzocht om herziening van bovenvermelde uitspraak, naar welke uitspraak hier wordt verwezen.

Namens de Staatssecretaris van Financiën, in die uitspraak en hierna aangeduid als gedaagde, is op het verzoek om herziening gereageerd.

Verzoeker heeft nog nadere stukken ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 26 mei 2005, waar verzoeker in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door L.P. de Jonge, werkzaam bij het Ministerie van Financiën.

II. MOTIVERING

1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. Bij de uitspraak van 15 november 2001 heeft de Raad geoordeeld dat het besluit van gedaagde van 23 december 1996 om de indeling van de functie van verzoeker te handhaven op C-niveau in stand kon blijven.

3. Verzoeker stelt dat de uitspraak van de Raad moet worden herzien, omdat hij inmiddels - in 2003 - de beschikking heeft gekregen over een drietal tijdwerkregistratie-formulieren (hierna TWR-formulieren) over de periode 1993 en 1994, welke zijn gedateerd 22 februari 1995. Dit zijn nieuwe stukken omdat zij niet behoorden tot de gedingstukken in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 15 november 2001. Uit die TWR-formulieren komt volgens verzoeker naar voren dat hij wel degelijk werkzaamheden op E-niveau verrichtte ten tijde van belang. Voorts heeft verzoeker uitvoerig beargumenteerd waarom de uitspraak van de Raad onjuist is.

4. Gedaagde heeft erkend dat bedoelde formulieren niet eerder in geding zijn gebracht en stelt dat te betreuren. Van opzet is geen sprake geweest. Gedaagde meent dat bedoelde stukken niet kunnen worden aangemerkt als nieuw feit als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb, omdat verzoeker veel eerder had kunnen beschikken over die stukken.

5. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als in artikel 8:88 van de Awb bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. De Raad zal dan ook op verzoekers argumenten waarom de uitspraak van 15 november 2001 onjuist is, niet ingaan.

6. De Raad is voorts van oordeel dat niet is voldaan aan het in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb neergelegde vereiste dat feiten of omstandigheden blijken die bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Uit de gedingstukken in de oorspronkelijke procedure blijkt dat verzoeker zelf opgave heeft gedaan in het kader van de tijdregistratie, en hij dus wist dat die gegevens waren verwerkt. Deze registratie is in meerdere stadia van de procedure destijds ook aan de orde geweest. Gesteld noch gebleken is dat verzoeker de in geding zijnde formulieren in een eerder stadium heeft opgevraagd en dat ook toen is geweigerd deze te verstrekken. Niet valt in te zien dat verzoeker aldus niet vóór de uitspraak redelijkerwijs bekend kon zijn met bedoelde formulieren. Anders dan verzoeker meent is het overleggen van een stuk dat in de oorspronkelijke procedure niet als gedingstuk aanwezig was onvoldoende voor de constatering dat sprake is van een nieuw feit als bedoeld in voormeld wetsartikel.

7. Het vorenstaande betekent dat het verzoek om herziening reeds hierom wordt afgewezen. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) J.P. Grauss.