Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT8972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2005
Datum publicatie
11-07-2005
Zaaknummer
05-51 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herzieningsverzoek. Is sprake van hechte en duurzame verbondenheid met Nederlands-Indische samenleving?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

05/51 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 11 november 2004, kenmerk JZ/W60/2004/0760, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Eiseres heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom zij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 9 juni 2005. Aldaar is eiseres niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in 1927 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in april 2002 een aanvraag ingediend om als vervolgde in de zin van de Wet te worden erkend en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen. Zij heeft haar aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten welke zij het gevolg acht van het feit dat zij tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd is geweest.

Verweerster heeft deze aanvraag bij besluit van 8 november 2002 afgewezen omdat weliswaar gebleken was dat eiseres vervolging had ondergaan in de zin van de Wet maar dat zij niet voldeed aan de eisen met betrekking tot nationaliteit en territorialiteit. Voorts was er geen reden voor toepassing van de hardheidsbepaling omdat er geen sprake was van een hechte en duurzame verbondenheid met de Nederlands-Indische samenleving.

Eiseres heeft tegen dat besluit niet tijdig bezwaar gemaakt zodat dit tussen partijen in rechte is komen vast te staan.

In juni 2003 heeft eiseres zich tot verweerster gewend met het verzoek het eerder genomen besluit te herzien. Zij heeft haar verzoek vergezeld doen gaan van enige stukken.

Bij besluit van 12 juli 2004, zoals gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond - samengevat - dat bij het herzieningsverzoek noch tijdens de bezwaarprocedure relevante nieuwe feiten of gegevens zijn vermeld, die aanleiding geven om het eerdere besluit te herzien.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

De hiervoor genoemde aanvraag van juni 2003 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van het door verweerster eerder genomen, hiervoor vermelde besluit aangaande de eerdere aanvraag van eiseres.

Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretonair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt met zich mee dat de Raad het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen.

De Raad stelt voorop dat ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet verweerster met de vervolgde gelijk kan stellen de persoon, ten aanzien van wie het niet toepassen van deze Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Bij de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met betrekking tot personen die niet voldoen aan artikel 3, eerste lid, van de Wet, toetst verweerster de aanvraag aan ter zake door haar opgestelde richtlijnen. Uitgangspunten daarbij zijn dat over het ondergaan hebben van vervolging geen enkele twijfel dient te bestaan en dat de betrokkene voorts moet kunnen wijzen op een hechte en duurzame verbondenheid met de Nederlands-Indische samenleving. Nu bij besluit van 8 november 2002 is beslist dat eiseres vervolging had ondergaan in de zin van de Wet, heeft verweerster thans in herziening terecht in ogenschouw genomen de vraag of er bij eiseres sprake is van een hechte en duurzame verbondenheid met de Nederlands-Indische samenleving.

De Raad moet vaststellen dat eiseres bij het onderhavige herzieningsverzoek, noch in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aan verweerster bij het nemen van het besluit van 8 november 2002 niet bekend waren, dan wel dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden haar eerder genomen besluit te herzien. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat in de overgelegde verklaring van 19 september 2004 eiseres zelf te kennen heeft gegeven de Nederlandse taal niet machtig te zijn en nooit op een Nederlandse school te hebben gezeten. Ook in de overige door eiseres overgelegde stukken heeft de Raad geen aanknopingspunt kunnen vinden dat eiseres voldoet aan de in de bovengenoemde richtlijnen geformuleerde voorwaarde van verbondenheid met de Nederlands-Indische samenleving.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden, zodat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2005.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) E. Heemsbergen.