Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT8873

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2005
Datum publicatie
11-07-2005
Zaaknummer
04/6178 WUV + 04/6180 WUV + 04/ 6183 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot vergoeding kosten aangepast schoeisel en woningaanpassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/6178 WUV + 04/6180 WUV + 04/ 6183 WUV

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats] (Australiƫ), eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Onder dagtekening 30 juli 2004, kenmerken JZ/R70/2004/0517, JZ/R70/2004/0518, JZ/R70/2004/0519, heeft verweerster ten aanzien van eiseres drie besluiten genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Eiseres heeft tegen deze besluiten bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) is uiteengezet waarom eiseres zich niet met de bestreden besluiten kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 19 mei 2005. Aldaar is eiseres niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in 1924 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, is vervolgde in de zin van de Wet. Aan haar zijn diverse voorzieningen ingevolge de Wet toegekend. In dat verband heeft verweerster aanvaard dat de bij eiseres aanwezige psychische klachten, rugklachten en handklachten door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd.

In juni 2003 heeft eiseres bij verweerster aanvragen ingediend voor toekenning van - voor zover van belang - vergoeding van de kosten van acupunctuur, aangepast schoeisel en woningaanpassing. Deze aanvragen heeft verweerster afgewezen bij besluiten van 3 maart 2004. Door eiseres gemaakt bezwaar heeft geleid tot de thans bestreden besluiten, waarbij verweerster eiseres alsnog met ingang van 1 juni 2003 tot 1 juni 2004 een vergoeding heeft toegekend van maximaal

15 acupunctuur behandelingen, alsmede aan haar heeft toegekend een vergoeding van de kosten van aanschaf en plaatsing van beugels in keuken en badkamer en van een verhoogde toiletpot. De weigering aan eiseres een vergoeding toe te kennen voor aangepast schoeisel heeft verweerster na bezwaar gehandhaafd.

Eiseres heeft in beroep tegen de drie bestreden besluiten bezwaren ingebracht.

De Raad moet vaststellen dat eiseres geen bezwaren ten gronde heeft aangevoerd met betrekking tot het besluit tot toekenning van acupunctuur. Het beroep van eiseres op dit punt is mitsdien ongegrond.

De Raad overweegt ten aanzien van hetgeen overigens door eiseres in beroep naar voren is gebracht als volgt.

Naar uit de gedingstukken blijkt, heeft verweerster bij de thans bestreden besluiten het standpunt van haar geneeskundig adviseurs gevolgd, inhoudende dat een verband met de vervolging niet kan worden aangenomen met betrekking tot de bij eiseres aanwezige voetklachten, darmklachten, status na heupoperatie, hypertensie en eczeem. De Raad heeft in de gedingstukken van medische aard geen aanknopingspunten kunnen vinden om dit standpunt van verweerster onjuist te achten. Het voorgaande betekent dat eiseres geen aanspraken aan de Wet kan ontlenen op vergoeding van kosten van voorzieningen die verband houden met deze niet met de vervolging in verband staande aandoeningen. Mitsdien is aan eiseres de vergoeding van de kosten van aangepast schoeisel op goede gronden geweigerd, nu deze voorziening in verband staat met de bij haar aanwezige niet met de vervolging in verband staande voetklachten.

Met betrekking tot verweersters besluit een vergoeding toe te kennen van de kosten van aanschaf en plaatsing van beugels in badkamer en keuken alsmede van een verhoogde toiletpot heeft eiseres aangevoerd dat deze posten slechts een klein deel vormen van de door haar uitgevoerde op haar handicaps en een eventuele toekomstige rolstoelafhankelijkheid aangepaste verbouwing van haar woning.

Hiertoe overweegt de Raad het volgende. Naar verweerster ter zitting heeft doen toelichten heeft verweerster bij dit besluit de door eiseres ingediende aanvraag tot uitgangspunt genomen, zoals deze blijkt uit het de aanvraag begeleidende sociaal rapport. Verweerster heeft in navolging van haar geneeskundig adviseur voor de in dit sociaal rapport aangevraagde voorzieningen, die in verband staan met de bij eiseres aanwezige met de vervolging verband houdende hand- en rugklachten, een vergoeding toegekend. Daarnaast heeft eiseres nog vergoeding gevraagd voor verwijdering van drempels, aanbrengen van wijde deuren, antislip tegels en voetlicht in de badkamer. Deze voorzieningen ziet verweerster samen- hangen met de bij eiseres aanwezige niet causale aandoeningen, met name de heup- en voetklachten, zodat voor deze aanpassingen een vergoeding op grond van de Wet niet kan worden verleend. De Raad kan gelet op de beschikbare medische en andere gegevens verweerster in deze opvatting volgen.

In beroep heeft eiseres een verdergaande beschrijving gegeven van de in haar woning aangebrachte verbeteringen, zoals een afwasmachine, kranen met speciaal bedieningsmechanisme, een douchestoel, warmtelampen, ventilatie, een aangepast aanrecht, een verhoogde afvalemmer en makkelijke schuifdeuren. De Raad stelt vast dat deze voorzieningen thans niet in geding zijn, nu het bestreden besluit daarop niet ziet en ook niet behoefde te zien, daar voor deze voorzieningen blijkens het de aanvraag begeleidende sociaal rapport geen vergoeding is gevraagd.

Het voorgaande betekent dat het beroep van eiseres ook overigens ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2005.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) E. Heemsbergen.