Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT8567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2005
Datum publicatie
04-07-2005
Zaaknummer
04/1372 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag WUV-uitkering afgewezen. Hinderden gezondheidsklachten betrokkene bij beroepsmatig functioneren? Werk in WSW-verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1372 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 23 januari 2004, kenmerk JZ/M60/2004/0009, heeft verweerster ten aanzien van eiser uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Namens eiser is tegen dit besluit beroep ingesteld door mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam. In een aanvullend beroepschrift is aangevoerd waarom eiser zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 mei 2005. Aldaar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A Bierenbroodspot voornoemd als zijn raadsvrouwe. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1943, is vervolgde in de zin van de Wet. Bij op bezwaar genomen besluit van verweerster van 13 mei 1996 is aan eiser een voorziening ter zake van extra huishoudelijke hulp toegekend in verband met zijn met de vervolging verband houdende psychosomatische rugklachten. Een periodieke uitkering is aan eiser bij genoemd besluit geweigerd omdat deze klachten hem niet hinderen op beroepsmatig niveau te functioneren, zodat geen sprake is van invalidering in de zin van de Wet. In februari 2003 heeft eiser bij verweerster een hernieuwde aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering, welke aanvraag verweerster bij besluit van 15 oktober 2003 heeft gehonoreerd met toekenning van een periodieke uitkering, waarvan de grondslag is vastgesteld op het ingevolge de Wet geldende minimum. Een door eiser gemaakt bezwaar tegen de hoogte van de voor hem vastgestelde grondslag is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

Eiser kan zich ook in beroep niet met de voor hem vastgestelde grondslag verenigen.

De Raad overweegt als volgt.

Uit de gedingstukken komt naar voren dat verweerster met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Wet de voor berekening van eisers periodieke uitkering geldende grondslag heeft vastgesteld op basis van het inkomen dat eiser heeft verdiend in het laatstelijk door hem uitgeoefende beroep van boekhouder in WSW-verband.

Namens eiser is in beroep aangevoerd dat de voor hem geldende grondslag niet had dienen te worden bepaald op basis van zijn arbeid in WSW-verband, doch op basis van het door eiser daaraan voorafgaand verrichte werk bij Pardo BV. Hiertoe is - kort weergegeven - aangevoerd dat de WSW een sociale voorziening is voor gehandicapte werknemers en dat het daarbij behaalde inkomen op één lijn dient te worden gesteld met een arbeidsinkomenvervangende uitkering.

De Raad kan eiser in deze opvatting niet volgen. De omstandigheid dat arbeid in WSW-verband wordt verricht onder aangepaste omstandigheden in verband met de lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen van de tot de doelgroep behorende personen staat er naar het oordeel van de Raad in zijn algemeenheid niet aan in de weg het verrichten van deze arbeid aan te merken als het uitoefenen van een beroep in de zin van artikel 8 van de Wet. De Raad ziet voorts in het specifieke geval van eiser geen redenen om de door hem verrichte werkzaamheden in WSW-verband niet aan te merken als een voor de vaststelling van zijn periodieke uitkering ingevolge de Wet geldend peilberoep. De Raad acht daartoe bepalend dat eisers aanvaarding van de WSW-dienstbetrekking op geen enkele wijze in verband heeft gestaan met uit de vervolging voortkomende beperkingen dan wel anderszins te relateren is geweest aan voor de Wet in aanmerking te nemen omstandigheden. Eiser is, naar tussen partijen niet in geschil is, voor zijn dienstbetrekking in WSW-verband in aanmerking gekomen wegens zijn niet met de vervolging samenhangende doofheid en hij heeft deze dienstbetrekking aanvaard na een periode van werkloosheid, ingetreden na een faillissement van zijn vorige werkgever Pardo BV, en heeft vervolgens die dienstbetrekking ongeveer twintig jaar vervuld. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster in het onderhavige geval de door eiser verrichte arbeid in WSW-verband op goede gronden aangemerkt als peilberoep in de zin van artikel 8, tweede lid, van de Wet.

Dit betekent dat het beroep van eiser ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2005.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

23.05