Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT8534

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
04-07-2005
Zaaknummer
04/1049 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is weigering bijzondere bijstand in verband met kosten rechtsbijstand (zoals juridisch advies, postzegels, kopieen etc.) terecht? Was procedure noodzakelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O UD I G E K A M E R

04/1049 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 14 januari 2004, reg.nr. 02/1183 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 mei 2005, waar appellant is verschenen en waar gedaagde - met voorafgaand bericht - zich niet heeft laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Op 3 juli 2002 heeft appellant een aanvraag bij gedaagde ingediend om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet in de kosten van rechtsbijstand (juridisch advies, postzegels, telefoonkaarten, onderzoeksreizen, kopieën van stukken, schrijfwaren en licht- en stookkosten) tot een bedrag van € 4.775,--.

Bij besluit van 20 augustus 2002, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 november 2002, heeft gedaagde de aanvraag afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank beroep tegen het besluit van 22 november 2002 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gedaagde heeft appellant in de gelegenheid gesteld een managementopleiding te volgen. Als gevolg van interne problemen bij de stichting die de opleiding zou verzorgen, is de opleiding niet van de grond gekomen. In de loop van 1990 is komen vast te staan dat de opleiding er niet zou komen. Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde, aldus appellant, hem toegezegd te zullen bemiddelen bij het vinden van werk. Hij heeft echter geen werk gevonden. Sindsdien heeft appellant diverse procedures aangespannen teneinde aan te tonen waar (bij wie) de schuld van het mislukken van de opleiding ligt. Tevens heeft hij daarmee getracht aan te tonen dat gedaagde ernstig tekort is geschoten in de toegezegde arbeidsbemiddeling.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient het betrokken bestuursorgaan in een geval als het onderhavige aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval vast te stellen of de procedures in de kosten waarvan bijzondere bijstand wordt gevraagd, noodzakelijk zijn. Daarbij ligt het op de weg van de betrokkene om de beweerde noodzakelijkheid van de procedures van een toereikende onderbouwing te voorzien.

Ook naar het oordeel van de Raad is appellant daarin niet geslaagd. Al hetgeen appellant in bezwaar, in beroep en in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat het gaat om noodzakelijkerwijs te voeren procedures.

De rechtbank heeft het derhalve terecht geoordeeld dat gedaagde bijzondere bijstand in de kosten van deze procedures heeft geweigerd.

De Raad wijst er overigens op dat de aanvraag is gedaan op een moment waarop de kosten al (lang) waren gemaakt, welk gegeven eveneens aan bijstandverlening in de weg staat.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet tenslotte geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) M. Pijper.