Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT8501

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2005
Datum publicatie
30-06-2005
Zaaknummer
03/2058 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding van schade na dienstongeval. Heeft werkgever aan zijn zorgplicht voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/2058 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 maart 2003, nr. AWB 02/01227 MAWKMA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, dat nadien is aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 mei 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door Y.P.J. Drost, rechtskundig adviseur te Hengelo. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L. Kuipers, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

Op verzoek van appellant is als getuige verschenen en gehoord H.W.A. Heymann, eerste luitenant der mariniers, wonende te Veenendaal.

II. MOTIVERING

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant heeft op 13 januari 1998 als marinier deelgenomen aan een opleiding parachutespringen op de Leusderheide. Bij zijn tweede sprong, omstreeks 14.00 uur, moest hij een bomengroep ontwijken en is hij op enige afstand van de overige valschermspringers ongelukkig op de grond terecht gekomen. Door deze mislukte landing heeft hij letsel opgelopen. Van het gebeurde is een proces-verbaal opgemaakt.

1.2. Bij brief van 11 december 2000 is gedaagde namens appellant aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade. Bij besluit van 25 juni 2001, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 19 februari 2002, heeft gedaagde aansprakelijkheid afgewezen op de grond dat de Koninklijke Marine niet onzorgvuldig heeft gehandeld.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. In geschil is de handhaving van een zelfstandig schadebesluit, ertoe strekkende dat gedaagde weigert de schade te vergoeden die appellant stelt ten gevolge van het ongeval te hebben geleden. Niet in geschil is de toepassing van rechtspositionele voorschriften die op dienstongevallen betrekking hebben. Evenmin is aan de orde of appellant in aanmerking komt voor een tegemoetkoming naar billijkheid met toepassing van artikel 115 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) oud, nu gedaagde het inleidend verzoek niet mede in die zin heeft opgevat en redelijkerwijs ook niet aldus behoefde op te vatten.

2.2. Met betrekking tot een schadebesluit als onder 2.1. bedoeld, hanteert de Raad als norm dat de ambtenaar recht heeft op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar (CRvB 22 juni 2000, LJN AB0072, TAR 2000, 112 en JB 2000/232).

2.3. Ter staving van de naleving van deze zorgplicht als werkgever, heeft gedaagde uiteengezet dat valschermspringers voorafgaande aan hun eerste daadwerkelijke parachutesprong een uitgebreide opleiding ontvangen, waarbij aandacht wordt besteed aan de drie te onderscheiden fasen van de sprong: het verlaten van het vliegtuig, de daling en de landing. Voor het voorbereiden en uitvoeren van een sprong bestaan uitvoerige voorschriften, die in hoofdzaak zijn neergelegd in het Voorschrift inzake het valscherm-springen uit militaire vliegtuigen (VVKM 428) van de Koninklijke Marine. Deze voorschriften stellen onder meer grenzen aan de windkracht waarbij door leerlingen mag worden gesprongen en voorzien in de aanwezigheid op het landingsterrein van een instructeur, die met behulp van een geluidsinstallatie - in dit geval een megafoon - instructies kan geven aan de springers in opleiding.

2.4. Appellant heeft aangevoerd dat de aanwezigheid van een bomengroep op het landingsterrein in strijd is met punt 3 van bijlage 2 van het VVKM 428, waarin aan een afwerpterrein onder meer de eis wordt gesteld dat geen grote hindernissen zoals boscomplexen aanwezig zijn.

Ter zitting heeft de Raad zich nader laten voorlichten omtrent de situatie ter plaatse, waarbij gebruik is gemaakt van een door de getuige getoonde luchtfoto van het afwerpterrein met omgeving. Op grond daarvan acht de Raad overtuigend aangetoond dat de door appellant bedoelde bomengroep niet kan worden aangemerkt als een boscomplex in de zin van het VVKM 428, doch is te beschouwen als een zogenoemde kleine hindernis, die geen beletsel oplevert en redelijkerwijs kan worden ontweken. Daarbij is nog in aanmerking genomen dat ook het landen in bomen vooraf speciaal wordt geoefend.

2.5. Wat betreft de wijze van bepaling van de windkracht, is naar voren gekomen dat de commandant van het afwerpterrein aan het begin van een springdag een windverwachting opvraagt bij het dichtstbijzijnde weerstation. In het onderhavige geval is dit omstreeks 7.30 uur geschied. Aan de hand hiervan bepaalt hij of het springen al dan niet doorgang zal vinden. Gedurende het springen houdt de commandant voortdurend de windsnelheid op de grond in de gaten, zonodig met behulp van een handwindmeter. Indien hij twijfelt aan de weersontwikkeling of aan de wind op grotere hoogte, neemt hij opnieuw contact op met het weerstation. Is de windsnelheid te hoog, dan wordt het springen onderbroken of beƫindigd. Blijkens de verklaring van de getuige wordt daarbij ten opzichte van de voorschriften een ruime veiligheidsmarge in acht genomen. Bovendien worden sprongen van leerlingen voorafgegaan door een sprong van een gebrevetteerde parachutist, teneinde de afdrijving door de wind in de praktijk te controleren. De Raad ziet geen aanleiding om de vorenstaande maatregelen voor onvoldoende te houden of om te oordelen dat, naar appellant heeft betoogd, met behulp van een handwindmeter niet voldoende nauwkeurig kan worden gemeten. Gedaagde heeft onweersproken gesteld dat het gaat om geijkte instrumenten en dat aan andere methoden doorslaggevende operationele nadelen kleven, zoals een grotere omslachtigheid en een grotere gevoelig-heid voor elektromagnetische verstoringen.

2.6. Ingevolge punt 433 van het VVKM 428 bedraagt de maximale windsnelheid waarbij door een leerling mag worden gesprongen bij dag 6 m/s (11,7 knopen). Kortstondige overschrijdingen worden toelaatbaar geacht, tenzij het gaat om uitschieters van meer dan 5 m/s. Blijkens het proces-verbaal is op de dag van het ongeval een windsnelheid (QAN) gemeten tussen 7 en 12 knopen, waarbij de uitschieters (QNT) 12 knopen bedroegen. Uit de overgelegde gegevens van het KNMI komt naar voren dat rond de tijd van het ongeval op Soesterberg een windsnelheid van gemiddeld 4 m/s en maximaal 7-8 m/s is gemeten. Gelet op deze gegevens, bezien in samenhang met de verklaring van de getuige, acht de Raad niet aannemelijk dat ten tijde van het ongeval sprake was van een windsnelheid waarbij op grond van de voorschriften of de strengere gebruiken van de praktijk het springen had moeten worden onderbroken of gestaakt.

2.7. Appellant heeft voorts aangevoerd dat niet is voldaan aan punt 352, onder b, van het VVKM 428, waarin is bepaald dat de commandant van het afwerpterrein is belast met het "coachen" van leerlingen tijdens de eerste twee sprongen, waarbij hij wordt bijgestaan door een para-instructeur. De Raad moet inderdaad vaststellen dat appellant op de grond werd opgewacht door de commandant, die door middel van de megafoon instructies kon geven, doch dat van bijstand door een para-instructeur geen sprake was. Dat de commandant zelf de hoedanigheid van para-instructeur bezat en dat het voorschrift in zoverre in onbruik was geraakt - hetgeen ook blijkt uit het feit dat de zinsnede over de para-instructeur in het overgelegde exemplaar van het VVKM, vooruitlopend op een toekomstige wijziging, met de pen was doorgehaald - neemt naar het oordeel van de Raad niet weg dat op dit punt is gehandeld in strijd met een formeel nog geldend veiligheids-voorschrift. De Raad is echter tevens van oordeel dat strikte naleving van dit voorschrift het ongeval, zoals het zich heeft voorgedaan, niet zou hebben voorkomen. Uit de in het proces-verbaal opgenomen verklaring van de instructeur Pronk komt naar voren dat appellant een achterwaartse landing heeft gemaakt, die hij niet naar behoren uitvoerde doordat hij bij de landing de benen niet voldoende onder het achterwerk plaatste en de voeten niet maximaal dwars op de afdrijvingsrichting indraaide. Appellant heeft deze lezing van de toedracht van het ongeval niet bestreden. Het gaat hier om fouten die op het allerlaatste moment zijn gemaakt en die ook door een tweede instructeur in alle redelijkheid niet meer tijdig hadden kunnen worden gecorrigeerd.

2.8. Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat gedaagde genoegzaam heeft aangetoond dat hij, voorzover voor het ongeval relevant, aan zijn zorgplicht als werkgever heeft voldaan. Daarvan uitgaande heeft gedaagde terecht geweigerd de schade van appellant, zoals in dit geding aan de orde, te vergoeden.

2.9. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

30.05

Q