Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT8323

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2005
Datum publicatie
28-06-2005
Zaaknummer
04/688 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit inzake hoogte studieschuld en vastgesteld terugbetalingsbedrag. Aangevoerde medische gronden tegen besluit vallen buiten het geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/688 WSF

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 6 februari 2003 (Bericht terugbetalen 2003, no. 1) heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat zijn studieschuld op 1 februari 2003 € 7.397,21 bedraagt en dat hij vanaf 1 februari 2003 een bedrag van € 53,53 per maand moet terugbetalen.

Bij besluit van 2 mei 2003 heeft gedaagde appellants bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2003 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2003, reg.nr. 03/611 WSFBSF, heeft de rechtbank

’s-Hertogenbosch het beroep van appellant tegen het besluit van 2 mei 2003 ongegrond verklaard.

Tegen die uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld op bij beroepschrift d.d.

29 januari 2004, met bijlage, aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 24 februari 2004.

Bij schrijven van 15 maart 2005, met bijlagen, heeft appellant zijn standpunt nader toegelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 april 2005, waar appellant in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.

II. MOTIVERING

Appellant heeft van april 1991 tot en met augustus 1998 studiefinanciering genoten. Hij heeft in de studiejaren 1993-1994 en 1996-1997 onvoldoende studiepunten behaald, zodat zijn tempobeurs over die studiejaren op grond van artikel 31a, tweede lid, van de Wet op de studiefinanciering (WSF) is omgezet in een lening. Deze omzetting heeft plaatsgevonden bij besluiten van 10 december 1994 en 6 december 1997, waartegen appellant geen bezwaar heeft gemaakt, zodat zij in rechte onaantastbaar zijn geworden.

In zijn bezwaarschrift tegen het in rubriek I genoemde besluit van 6 februari 2003 heeft appellant vermeld dat A.C. van Kralingen-Heijboer, arts, gespecialiseerd in oogafwijkingen, bij hem begin 1998 een oogafwijking heeft ontdekt, welke oogafwijking zijn studievertraging heeft veroorzaakt. Het bezwaarschrift eindigt met de zinsnede: "Op medische gronden maak ik bezwaar tegen de betaalregeling die u voor mij heeft opgesteld. Ik verzoek u mijn studiefinanciering niet in een lening om te zetten."

Bij het bestreden besluit van 2 mei 2003 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard. Zij heeft voorts geen aanleiding gevonden om appellant met toepassing van de hardheidsclausule tegemoet te komen met betrekking tot de hoogte van de schuld.

De rechtbank heeft overwogen dat uit de grieven van appellant tegen het besluit van 6 februari 2003 blijkt dat hij het niet eens is met de besluiten van gedaagde van 10 december 1994 en 6 december 1997, waarbij zijn beurs is omgezet in een rentedragende lening. De rechtbank heeft hieromtrent overwogen dat de omzetting van de beurs in een lening niet het onderwerp van het besluit van 6 februari 2003 is, aangezien daarin de hoogte van de studieschuld wordt vastgesteld en de afbetalingsverplichting is opgenomen. De rechtbank heeft voorts gedaagdes besluit om geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule in stand gelaten.

De Raad overweegt het volgende.

Uit de door appellant ingediende schrifturen en de door hem ter zitting gegeven toelichting blijkt dat hij beoogt te bewerkstelligen dat de omzettingsbeschikkingen van 10 december 1994 en 6 december 1997 ongedaan worden gemaakt, omdat hij om medische redenen, die eerst achteraf aan het licht zijn getreden, in de desbetreffende studiejaren niet aan de studievoortgangsnorm heeft voldaan. Het primaire besluit van 6 februari 2003 handelt echter niet over de omzettingsbesluiten, zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, en ook het bestreden besluit handelt daarover niet. De door appellant aangevoerde argumenten gaan derhalve de grenzen van het bestreden besluit en, bijgevolg, de grenzen van het geding te buiten en kunnen dan ook niet tot het door appellant gewenste resultaat leiden.

De Raad overweegt ten overvloede dat, zoals ter zitting tussen partijen reeds uitvoerig is besproken, het nu het meest voor de hand lijkt te liggen dat appellant eerst zal proberen om alsnog gebruik te maken van de voorliggende voorziening, te weten een beroep doen op het afstudeerfonds van zijn onderwijsinstelling. Indien dit niet tot het gewenste resultaat voert, is het aan appellant te overwegen zich vervolgens tot gedaagde te wenden met het verzoek de omzettingsbeschikkingen, met toepassing van de hardheidsclausule of anderszins, ongedaan te maken.

Met betrekking tot de onderhavige hoger beroepsprocedure moet thans evenwel worden volstaan met de constatering dat appellants grieven binnen het raam van deze procedure geen doel kunnen treffen, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.

BKH