Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT8201

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-06-2005
Datum publicatie
27-06-2005
Zaaknummer
03/5905 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambulance chauffeur. Na ambulancerit, vrouw naar boven gedragen. Hierna wegens nek- en rugklachten arbeidsongeschikt geworden. Heeft werkgever aan zorgplicht voldaan? Is werkgever schadeplichtig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5905 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 oktober 2003, nr. Awb 03-14 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Naar aanleiding daarvan hebben partijen over en weer gereageerd.

Appellant heeft vervolgens schriftelijk geantwoord op vragen van de Raad en nog een nader stuk ingezonden

Het geding is behandeld ter zitting van 12 mei 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. J.J. van Zanten, verbonden aan CAPRA, en J. van Kuijeren, werkzaam bij de gemeente Haarlem. Gedaagde is in persoon verschenen bijgestaan door zijn raadsman mr. H.D. Wind, advocaat te Haarlem.

II. MOTIVERING

1.1.Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Gedaagde was bij de gemeente Haarlem in dienst als ambulancechauffeur. In januari 1991 is hij tijdens de dienst betrokken geraakt bij een aanrijding. Gedaagde heeft hier enige lichamelijke beperkingen aan overgehouden. Na een periode van ziekte is hij in april 1992 weer volledig arbeidsgeschikt verklaard en heeft hij zijn werkzaamheden hervat.

1.3. Op 12 oktober 1996 kreeg gedaagde van de Centrale Post Ambulance (hierna: CPA) een ritopdracht. Een vrouw, die net uit het ziekenhuis was ontslagen, kon haar flatwoning op de zesde etage niet bereiken omdat zij niet kon lopen en de lift defect was. Gedaagde heeft samen met zijn collega de vrouw naar de derde etage getild. Nadat zijn collega op de derde etage te kennen had gegeven de vrouw niet verder te willen tillen, heeft gedaagde haar, met behulp van een aanwezige politieman, verder naar haar woning op de zesde etage gedragen. Hierna heeft gedaagde zich ziek gemeld met nek- en rugklachten. Uiteindelijk is gedaagde volledig arbeidsongeschikt geraakt en is hem in februari 1999 eervol ontslag verleend wegens ziekte.

1.4. Bij brief van 13 maart 2002 heeft gedaagde appellant verzocht aansprakelijkheid te aanvaarden voor de gevolgen van het incident op 12 oktober 1996 (hierna: het tilincident) en om over te gaan tot het vergoeden van de geleden schade.

Appellant heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 21 mei 2002, welk besluit hij bij het bestreden besluit van 12 november 2002 heeft gehandhaafd.

1.5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aan appellant is de opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank was onder meer van oordeel dat gedaagde de stelling dat appellant voldoende maatregelen had getroffen om te voorkomen dat gedaagde schade zou lijden in zijn functie, onvoldoende met concrete gegevens had onderbouwd.

2.1. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden om schade te voorkomen. Hij acht het verzoek voorts terecht afgewezen omdat gedaagde, door in weerwil van met hem gemaakte afspraken en mogelijkheden voor andere oplossingen de patiënte naar de zesde verdieping te tillen, willens en wetens het risico op schade heeft aanvaard en aldus bewust roekeloos heeft gehandeld.

Daarnaast is naar voren gebracht dat gedaagde zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd zodat het al om die reden kon worden afgewezen.

2.2. Gedaagde bestrijdt dat appellant aan zijn zorgplicht als werkgever heeft voldaan. Appellant was immers op de hoogte van zijn lichamelijke beperkingen op het gebied van tillen en had dit moeten doorgeven aan de CPA. Hoewel gedaagde bezwaar heeft gemaakt tegen de opdracht, bleef de CPA daaraan vasthouden en zag hij zich genoodzaakt deze uit te voeren. Van bewuste roekeloosheid is geen sprake geweest.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Het bestreden besluit betreft de handhaving van een zuiver schadebesluit betreffende de schade die door de ambtenaar beweerdelijk is geleden in de uitoefening van zijn dienstbetrekking. De Raad verwijst voor de hier aan te leggen toetsingsmaatstaf naar zijn uitspraak van 22 juni 2000, LJN AB0072, TAR 2000, 112 en JB 2000/232: voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften, heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de klachten van gedaagde zijn opgetreden in de uitoefening van zijn werkzaamheden als ambulancemedewerker. Gelet hierop zal de Raad beoordelen of appellant genoegzaam heeft aangetoond dat hij heeft voldaan aan de zorgplicht als vervat in de onder 3.1. genoemde toetsingsmaatstaf.

3.3. De Raad stelt allereerst vast dat het tillen van patiënten tot de normale taken van een ambulancemedewerker behoort. In de opleiding tot ambulancemedewerker wordt aandacht besteed aan tiltechnieken en aan de risico’s die het tillen met zich brengt voor zowel de patiënt als de ambulancemedewerker. Voorts staat vast dat gedaagde na herstel van het ongeval in 1991 vrijwel volledig inzetbaar is geacht voor zijn werkzaamheden op de ambulance. Met betrekking tot resterende lichamelijke beperkingen zijn afspraken gemaakt, welke inhielden dat gedaagde zelf diende op te letten in hoeverre hij wel of niet kon tillen en dat hij in voorkomende situaties om tilassistentie kon verzoeken.

3.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de taak van de CPA bestaat uit de coördinatie van de ambulancezorg. Naar aanleiding van een binnengekomen melding bepaalt de CPA of een ambulance naar de desbetreffende plek wordt gezonden. Aangezien er vaak sprake is van urgente situaties, waarbij het voorkomen van tijdverlies van groot belang is, gold en geldt binnen de organisatie de afspraak dat een ritopdracht van de CPA zonder discussie wordt uitgevoerd. Vervolgens bepalen de ambulance-medewerkers ter plaatse zelfstandig wat er verder dient te gebeuren, zodat een grote mate van eigen verantwoordelijkheid inherent is aan de aard van hun functie.

3.5. Gelet op het in 3.3. en 3.4. overwogene behoefde appellant naar het oordeel van de Raad de CPA niet in te lichten over gedaagdes beperkingen ten aanzien van tillen en was er geen sprake van een situatie waarin de CPA gedaagde kon overrulen. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld heeft appellant met het voorgaande genoegzaam aangetoond dat hij heeft voldaan aan zijn zorgplicht.

3.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat appellant, nu hij aan zijn zorgplicht als werkgever heeft voldaan, reeds om die reden terecht het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen. De Raad komt vervolgens niet meer toe aan de beantwoording van de vraag of er sprake is van oorzakelijk verband tussen het tilincident en de gestelde schade. De Raad merkt overigens nog op dat hij appellant niet kan volgen in zijn eerst laat in de procedure ingenomen standpunt dat gedaagde zijn verzoek niet concreet heeft onderbouwd. De Raad is van oordeel dat gedaagde het verzoek voldoende concreet heeft onderbouwd, nu het verzoek de vergoeding betreft van gederfde inkomsten over een vastomlijnde periode, die appellant eenvoudig kan narekenen, en een bedrag aan immateriële schade wegens aantasting van goede naam en aangedaan leed.

3.7. Het bestreden besluit van 12 november 2002 houdt derhalve in rechte stand, zodat de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit is vernietigd, voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak.

Verklaart het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

Q.