Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT8167

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2005
Datum publicatie
27-06-2005
Zaaknummer
04/3062 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wettelijke grondslag herziening en terugvordering studiefinanciering na 31-8-2000 over periodes gelegen vóór 1-9-2000. Overgangsrecht.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 7.1
Wet studiefinanciering 2000 7.4
Wet studiefinanciering 2000 12.13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2005, 231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3062 WSF

UITSPRAAK

in het geding tussen:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, appellante,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Door appellante is op bij aanvullend beroepschrift van 24 juni 2004 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank Zwolle van 23 april 2004, nr. 03/1400 WSFBSF.

Gedaagde heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om een verweerschrift in te dienen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 april 2005. aldaar heeft appellante zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr.drs. E.H.A. van den Berg, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep. Gedaagde is, zoals tevoren is bericht, niet verschenen.

II. MOTIVERING

Uit de voorhanden zijnde gegevens leidt de Raad af dat aan gedaagde bij besluit van 17 december 1999 over de maanden november en december van dat jaar ten onrechte studiefinanciering naar de norm voor uitwonende studerenden is toegekend en dat deze toekenning bij besluit van 8 november 2002 door appellante is herzien, in die zin dat over de betrokken maanden alsnog studiefinanciering naar de norm voor thuiswonende studerenden is toegekend. Hetgeen in verband daarmee te veel is uitbetaald is daarbij van gedaagde teruggevorderd.

Het bezwaar dat gedaagde tegen het herzienings- en terugvorderingsbesluit van 8 november 2002 heeft ingediend, is bij besluit van 16 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) door appellante ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer verwezen naar de artikelen 7.1 en 7.4 van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: WSF 2000).

Bij uitspraak van 23 april 2004 heeft de rechtbank Zwolle het door gedaagde tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd . Daarbij is door de rechtbank een aanvullende beslissing genomen inzake de vergoeding door appellante van het door gedaagde betaalde griffierecht en heeft de rechtbank onder verwijzing naar de artikelen 55 en 58 van de Wet op de studiefinanciering (WSF) bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

De vernietiging van het bestreden besluit heeft de rechtbank doen steunen op de overweging dat - zakelijk weergegeven - appellante haar herzienings- en terugvorderingsbesluit heeft gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag, aangezien de WSF 2000 eerst met ingang van 1 september 2000 in werking is getreden en het in het onderhavige geval gaat om aanspraken en verplichtingen die betrkkking hebben op een vóór 1 september 2000 gelegen periode, waarop de WSF nog toepasselijk is.

Appellante heeft zich niet kunnen verenigen met het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel dat het herzienings- en terugvorderingsbesluit bij het bestreden besluit is gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag en heeft daarom hoger beroep ingesteld.

Dienaangaande overweegt de Raad dat er - bij ontstentenis van een specifieke wettelijke overgangsregeling en gelet op artikel 12.13 van de WSF 2000 - onvoldoende reden is om ervan uit te gaan dat het enkele gegeven dat een herziening en terugvordering van na 31 augustus 2000 betrekking hebben op een studiefinancieringstijdvak dat is gelegen vóór

1 sepetember 2000, eraan in de weg staat dat appellante het betrokken besluit wat betreft de bevoegdheid om te herzien en de verplichting om terug te vorderen (ook) baseert op de WSF 2000, welke wet een formele regeling inzake herziening en terugvordering kent die in wezen gelijk is aan de herzienings- en terugvorderingsregeling van de met ingang van

1 september 2000 ingetrokken WSF.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van appellante doel treft, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Verder dient het inleidend beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit alsnog in zijn geheel ongegrond te worden verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog in zijn geheel ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.