Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT8162

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-06-2005
Datum publicatie
23-06-2005
Zaaknummer
03/5655 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om rehabilitatie afgewezen. Verjaring.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5655 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 oktober 2003, nr. AWB 02/114 MAWKMA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadien de gronden van zijn hoger beroep nog toegelicht en aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 mei 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Seventer, werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Voorts zijn op verzoek van appellant als deskundigen gehoord

mr. R.L. Adriaansen en J.L. Hartkamp.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was vanaf 16 augustus 1957 in dienst als officier bij de Koninklijke Marine. Op zijn verzoek is hem met ingang van 1 juni 1976 eervol ontslag uit deze dienst verleend.

1.2. Bij brief van 9 november 2000 heeft appellant verzocht hem te rehabiliteren in die zin dat schriftelijk wordt erkend dat een ten aanzien van hem op 19 april 1973 door de Raad van Vlagofficieren uitgebracht voorlopig advies op onzorgvuldige wijze en op onjuiste gronden is tot stand gekomen. Dit advies stond volgens appellant zijn bevordering tot kapitein luitenant ter zee in de weg. Tevens heeft appellant in dit verband verzocht hem een schadevergoeding in geld toe te kennen.

1.3. Gedaagde heeft dit verzoek afgewezen. Bij het bestreden besluit van 19 november 2001 heeft gedaagde het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voorzover dit was gericht tegen de weigering hem te rehabiliteren en ongegrond verklaard voorzover dit was gericht tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding in financiële zin.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat de beslissing omtrent rehabilitatie niet kan worden beschouwd als een rechtspositionele maatregel jegens een gewezen militair ambtenaar. De weigering van rehabilitatie was dan ook niet vatbaar voor bezwaar zodat gedaagde het bezwaar van appellant daartegen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat van onrechtmatig handelen vanwege gedaagde geen sprake is geweest zodat appellant geen aanspraak kan maken op schadevergoeding en het bezwaar van appellant tegen de weigering daarvan terecht ongegrond is verklaard.

3. Met betrekking tot het door appellant tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep overweegt de Raad als volgt.

3.1. Uit de jurisprudentie van de Raad, zoals onder meer neergelegd in zijn uitspraak van 3 mei 2001, LJN AB3111, volgt dat een afwijzing van een verzoek om herstel van toegebrachte schade door middel van rehabilitatie op een wijze als hier aan de orde, als een voor bezwaar vatbaar besluit is aan te merken. De Raad ziet een dergelijke rehabilitatie als een vorm van schadevergoeding. Een besluit tot rehabilitatie is van aanmerkelijke betekenis voor de (bestaande of voormalige) rechtspositie van de betrokken ambtenaar of gewezen ambtenaar; voor een weigering om een zodanig besluit te nemen geldt dan hetzelfde.

Het vorenstaande brengt mee dat gedaagde bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant ten onrechte deels niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het bestreden besluit komt derhalve in zoverre voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak voorzover dit besluit daarbij voor dit deel in stand is gelaten.

3.2. In het belang van een finale geschilbeslechting ziet de Raad aanleiding voorts nog te beoordelen of gedaagde het verzoek van appellant om rehabilitatie terecht heeft afgewezen.

3.2.1. Dienaangaande overweegt de Raad dat uit de stukken en het ter zitting verhandelde naar voren komt dat gedaagde zich (ook) waar het gaat om het verzoek van appellant om rehabilitatie heeft beroepen op verjaring.

De rechtspraak van de Raad houdt in dat aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar zijn (verjaring). Indien het gaat om een aanspraak op vergoeding van schade, ligt de aanvang van deze termijn bij het moment waarop de benadeelde met betrekking tot die schade in actie had kunnen komen.

Nu appellant zijn verzoek om rehabilitatie heeft toegespitst op het voorlopig advies van de Raad van Vlagofficieren van 19 april 1973, is niet zonder belang dat appellant, naar hij heeft medegedeeld, zich er indertijd van bewust was dat dit advies niet (onverdeeld) gunstig voor hem was. Aanvankelijk was appellant evenwel niet gerechtigd om inzage te verkrijgen in dit advies. Naar tussen partijen niet in geschil is, veranderde deze situatie omstreeks 1985 en bestond toen voor appellant de mogelijkheid van inzage in het advies. Appellant heeft om hem moverende redenen eerst op 31 augustus 2000 zijn personeels-dossier met inbegrip van het advies ingezien. Nu appellant vele jaren eerder dan in feite door hem gedaan in actie had kunnen komen om een rehabilitatie te bereiken, als hiervoor aangegeven, is de Raad van oordeel dat gedaagde zich terecht op verjaring heeft beroepen. Het bezwaar van appellant kwam op dit punt dan ook voor ongegrond-verklaring in aanmerking. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het bezwaar voor dit deel ongegrond verklaren.

3.3. Met betrekking tot het onderdeel van het bestreden besluit waarbij gedaagde het bezwaar van gedaagde tegen de weigering hem een schadevergoeding in financiële zin toe te kennen, ongegrond heeft verklaard, merkt de Raad op dat gedaagde zich daarbij eveneens op verjaring heeft beroepen. Hetgeen de Raad onder 3.2.1. omtrent verjaring heeft overwogen gaat ook op voor dit onderdeel van het bestreden besluit. Gedaagde heeft dus ook hier terecht een beroep op verjaring gedaan. De rechtbank heeft het bestreden besluit in zoverre dan ook terecht in stand gelaten zodat de aangevallen uitspraak op dit onderdeel dient te worden bevestigd.

4. Omdat het vorenoverwogene leidt tot een in niet onbelangrijke mate andersluidend dictum dan in de aangevallen uitspraak is verwoord, geeft de Raad er, mede uit een oogpunt van duidelijkheid, de voorkeur aan de aangevallen uitspraak in haar geheel te vernietigen en te doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond voorzover dit ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellant tegen de weigering hem te rehabiliteren en vernietigt het bestreden besluit voor dit deel;

Verklaart het bezwaar van appellant tegen de weigering hem te rehabiliteren ongegrond;

Verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 284,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

30.05

Q