Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT8158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-06-2005
Datum publicatie
23-06-2005
Zaaknummer
03/4624 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om bevordering met terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4624 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Dagelijks Bestuur van de Brandweer Bergen op Zoom en Roosendaal, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 31 juli 2003, nr. 03/25 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn desgevraagd enkele stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 mei 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. T. Hoekstra, verbonden aan de Stichting Achmea Rechtsbijstand, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door

I.C.W. Overduin, werkzaam bij gedaagde.

II. MOTIVERING

1. Voor de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar onderdeel 2.1. van de aangevallen uitspraak. Deze komen erop neer dat appellant vanuit de functie van [naam functie] van de brandweer van de gemeente Bergen op Zoom, bezoldigd in de uitloopschaal 12 van de toepasselijke bezoldigingsregeling, bij de vorming in 1997 van de Brandweer Bergen op Zoom en Roosendaal is overgegaan in de functie van hoofd preparatie, met toekenning (behoud) van (het maximum van) schaal 12. Eind 1998 is de waardering van deze functie vastgesteld op schaal 12 met uitloopschaal 13. Op 9 mei 2001 heeft appellant gevraagd om bevordering met terugwerkende kracht tot 1 september 1997 naar de uitloopschaal 13. De afwijzing van die aanvraag is gehandhaafd bij het bestreden besluit van 24 februari 2003.

2. De rechtbank heeft appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft onder meer overwogen dat appellant in 1997 als gevolg van een salarisgarantie in (het maximum van) schaal 12 is geplaatst en dat hij niet heeft voldaan aan alle criteria voor bevordering naar de uitloopschaal.

3. In hoger beroep heeft appellant opnieuw betoogd dat niet van belang is de wijze waarop hij in 1997 was terechtgekomen in de uitloopschaal 12, maar het enkele feit dat dit het geval was. Daarom heeft hij zijns inziens na de definitieve waardering van de functie van hoofd preparatie automatisch recht op indeling in de bij die functie behorende uitloopschaal. Dit behoort te geschieden met terugwerkende kracht tot 23 december 1998 en in ieder geval met ingang van de datum van de aanvraag. Het niet bevorderen naar de uitloopschaal maar het, na de functiewaardering, laten “terugvallen” naar de functieschaal acht appellant strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel.

4. Namens gedaagde is er in de eerste plaats op gewezen dat appellants aanvraag een verzoek behelst om terug te komen van het in rechte onaantastbaar geworden inschalingsbesluit van december 1998 en dat het antwoord op de dan te beantwoorden vraag of sprake is van nieuwe feiten (die aanleiding zouden moeten geven om dat besluit opnieuw te bezien), ontkennend luidt.

Voorts is naar voren gebracht dat de stelling van appellant dat het rechtszekerheids-beginsel dwingt tot (toekenning of) behoud van de uitloopschaal voorbijgaat aan de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het drierangenstelsel. De uitloopschaal is slechts weggelegd voor diegene van wie aan de hand van drie zogenaamde A- of B-beoordelingen is aangetoond dat hij boven de gestelde eisen functioneert, aan welke eis appellant niet voldoet. “Dat iemand bij zijn aanstelling door kennis en ervaring, door krapte op de arbeidsmarkt of door slim onderhandelen een uitloopschaal weet te verkrijgen, betekent allerminst dat hij later in een andere functie automatisch en direct recht heeft op inpassing in de nieuwe uitloopschaal”, aldus gedaagde.

5. De Raad overweegt dat hij zich geheel kan vinden in het onder 4. weergegeven standpunt van gedaagde. Dit weerlegt ook de gronden van het hoger beroep, dat daarom geen doel treft. De aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, moet dus worden bevestigd.

6. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

23.05